Meer dan 63.000 rijksmonumenten


Klokkenstoel met klok van de Gereformeerde gemeente in Uddel

Kerkelijk Gebouw

Garderenseweg 29
3888LA Uddel (gemeente Apeldoorn)
Gelderland

Bouwjaar: 1750 (klok)


Beschrijving van Klokkenstoel met klok van de Gereformeerde gemeente

Gereformeerde Kerk, vanwege klokkenstoel met klok van J. du Mery, 1750, diam. 44,6 cm. De klok is afkomstig uit het carillon te Aalst (België). (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Rijksmonument nummer: 8186
Laatste wijziging: 2014-10-12 20:04:29.0

Recensies en ervaringen

Toevoegen

Wikipedia artikel

Dit artikel is volledig afkomstig van Wikipedia en valt onder de CC BY-SA licentie
Gereformeerde Gemeenten
Ter Hoogekerk te Middelburg
Ter Hoogekerk te Middelburg
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Geref. Kerken o/h Kruis en Ledeboerianen in 1907
Afsplitsingen 1953: Ger. Gem. in Ned.
Aard
Locatie 152 gemeenten in Nederland, 28 gemeenten in Noord-Amerika, 1 gemeente in Zuid-Afrika en 1 gemeente in Nieuw-Zeeland (01-01-2017)
Aantal leden 107.787 leden in Nederland (1 januari 2018), 11.097 leden in N-Amerika (1 januari 2016) en 180 in Nieuw-Zeeland (1 januari 2016)
Karakter bevindelijk gereformeerd
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

Gereformeerde Gemeente te Barendrecht
Gereformeerde Gemeente te Tholen
Kerkzaal Jachin en Boazkerk te Genemuiden.

De Gereformeerde Gemeenten (GG), vormen een orthodox-protestants kerkgenootschap met 107.787[1] leden op 1 januari 2018.

Ontstaan

Het landelijk verband van de Gereformeerde Gemeenten is ontstaan in 1907 door een vereniging van de Kruisgemeenten (13 gemeenten), ontstaan uit de Afscheiding van 1834, met de Ledeboeriaanse gemeenten (23 gemeenten). Enkele groeperingen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834 rondom o.a. ds. Elias Franssen (1827-1898), ds. A. Verheij (1821-1913) en ds. C. Van den Oever (1802-1877) (voornamelijk kruisgemeenten) gingen in 1869 niet mee met de vereniging van de Kruisgemeenten met de Christelijke Afgescheiden Gemeenten tot de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1869. Behalve deze Kruisgemeenten hadden zich ook de zogenaamde ‘Ledeboerianen’ tot dan toe afzijdig gehouden. Zij dankten hun naam aan ds. L.G.C. Ledeboer.

Het lukte de 25-jarige ds. G.H. Kersten als predikant van Meliskerke deze groeperingen uit het isolement te halen en in 1907 samen te binden tot de Gereformeerde Gemeenten. Op 5 juni 1907 reikte men elkaar in Middelburg de hand en ontstond het nieuwe kerkverband. De naam van het officieel orgaan van de Gereformeerde Gemeenten weekblad De Saambinder refereert aan deze gebeurtenis.

Geschiedenis

Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
1rightarrow blue.svg Zie ook Protestantisme in Nederland

De opbouw van het kerkverband

Ds. Kersten vervulde tot na de Tweede Wereldoorlog een centrale rol in het kerkverband. Veel gemeenten waren het naleven van een kerkorde niet meer gewend en daarom schreef hij in 1908 een brochure De Tucht in de Kerke Christi. Hierin stelde hij verschillende misvattingen over de kerkelijke tucht aan de orde. Verder besteedde hij aandacht aan de dogmatische profilering van het kerkverband. Zijn boek over de Heidelbergse Catechismus heeft een sterk dogmatisch karakter. Kersten gaf ook een toelichting op de Gereformeerde Dogmatiek uit waarvoor hij dankbaar gebruik maakte van de werken van vooraanstaande gereformeerde dogmatici als prof. dr. Herman Bavinck en prof. dr. A.G. Honig sr. (werd in 1902 als opvolger van Bavinck benoemd tot hoogleraar te Kampen) en oudvaders als Joh. a Marck.

Belangrijk voor ds. Kersten was ook de oprichting van een eigen theologische school. Scherp wees hij de mening af dat predikanten vooral niet moesten studeren, maar het van onmiddellijke ingeving moesten verwachten. Het was zijn bedoeling de theologische school tot een hoog niveau uit te bouwen, "gezien het hoge niveau van onze Gereformeerde vaderen". Hij zocht daarvoor voortdurend bekwame mensen.

In de periode 1916-1926 was het ds. W. Den Hengst (overgekomen vanuit de Gereformeerde Kerken) die reeds te Leiden enige opleiding gaf aan een eerste generatie Gereformeerde Gemeente predikanten zoals G. Van Reenen, A. De Blois, J. Overduin, R. Kok etc. Deze predikant overleed echter reeds in 1927. In 1928 was ds. Kersten verheugd met de overkomst van de christelijke gereformeerde ds. J.D. Barth. Wegens gezondheidsredenen was deze predikant echter niet in staat lang te doceren. Later kwam hij in contact met de gereformeerde predikant dr. Cornelis Steenblok in wie Kersten een mogelijke opvolger zag. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog als de stad Rotterdam het zwaartepunt vormt van de Gereformeerde Gemeenten, wordt hier de theologische school gevestigd (1926), naast de Boezemsingelkerk.

In 1906 knoopte ds. Kersten contacten aan met de Armeense zendingspredikant David Jacob Benjamin omdat hij ervan overtuigd was dat de kerk ten alle tijd de opdracht heeft om zending te bedrijven.

Strubbelingen

De hervormingen die ds. Kersten graag wilde doorvoeren voor het kerkverband verliepen niet altijd zonder enige strubbeling. Reeds in 1907 hield ds. L. Boone zich afzijdig van de voortvarendheid van ds. Kersten. Hij wilde bij het oude blijven, “in de lijn van de godzalige ds. Ledeboer ds. Van Dijke etc.” Hierdoor ontstonden de Oud Gereformeerde Gemeenten. Niet allen binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten konden zich ook vinden in de stichting van een theologische school, zoals aanvankelijk ook bijvoorbeeld ds. J. Fraanje. Ook over het stichten van eigen scholen en het actief bedrijven van politiek was er discussie. Toch gelukte het ds. Kersten met steun van ds. J.R. Van Oordt om in 1918 ook een Staatkundig Gereformeerde Partij op te richten. Hiervoor wist hij ook buiten het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten bekwame mensen te mobiliseren o.a. uit de Nederlands Hervormde Kerk (ds. P. Zandt), en Christelijke Gereformeerde Kerk (ds. J. v.d. Vegt, ds. G. Salomons, ds. J.D. Barth e.a.) In 1926 waren er bovendien reeds veertien eigen lagere scholen. In 1930 verlieten de gebroeders Overduin vanwege een theologisch geschil de Gereformeerde Gemeenten. Uiteindelijk bleken zij moeilijk met ds. Kersten door één deur te kunnen. In deze periode (1931) worden ook de zogenaamde leeruitspraken van '31 opgesteld.

Positie van de Gereformeerde Gemeenten t.o.v andere kerkverbanden voor W.O. II

Evenals andere orthodox gereformeerde kerkverbanden houden de Gereformeerde Gemeenten vast aan het gezag van de Bijbel zoals verwoord in de algemeen christelijke en gereformeerde belijdenis geschriften Drie Formulieren van Enigheid: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Liturgisch wordt in de eredienst vastgehouden aan de Statenvertaling van de Bijbel en de psalmenberijming van 1773. Er zijn enkele gemeenten (in de provincie Zeeland) waar de Psalmen van Datheen gezongen worden. Overal worden de psalmen niet-ritmisch gezongen.

In 1909 richtte de Gereformeerde Kerken in Nederland (sinds 2004 Protestantse Kerk Nederland ) een verzoek aan de Gereformeerde Gemeenten om te komen tot kerkelijke vereniging. Door bezwaren tegen de leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ wezen de Gereformeerde Gemeenten dit verzoek af.

Met de Christelijke Gereformeerde Kerk zag een vereniging er aanvankelijk positief uit. Zo positief zelfs, dat er al een gemeenschappelijke naam was bedacht voor de kerken: Nederduits Gereformeerde Gemeenten. Na verloop van tijd ontstond er echter eind jaren twintig tot ver in de jaren dertig een hevige pennenstrijd over het genadeverbond.

De Christelijke Gereformeerde Kerk had zich geprofileerd ten opzichte van de Gereformeerde Kerken in een drie-verbondsopvatting dat het onderscheid tussen het verlossingsverbond (van eeuwigheid) en genadeverbond (in de tijd) benadrukte. Dit onderscheid maakte ook de Amerikaanse predikant W. Heyns, hoogleraar aan de Theologische School te Grand Rapids in zijn ‘Handboek Gereformeerde Geloofsleer'. Van dit boek werd binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk gebruik genmaakt als catechisatiemethode. Eind jaren twintig verscheen het catechisatieboekje van de christelijke gereformeerde predikant J. Jongeleen. Op beide publicaties had Ds. Kersten scherpe kritiek.

De discussie verliep aanvankelijk rustig, maar werd verscherpt door de wisselwerking Van der Schuit-Kersten. Ook hier was sprake van botsende persoonlijkheden en het liep uit op een verwijdering tussen beide kerkverbanden. De Gereformeerde Gemeenten namen steeds meer afstand en spraken in de perioden daarna herhaaldelijk uit: “dat een vereniging met de Christelijke Gereformeerde Kerk niet kan, omdat zij de ‘drie-verbondenleer’ aanhangt”.

De generale synode van 1931 heeft (naar aanleiding van het conflict met o.a. de Christelijke Gereformeerde Kerk) een nadere uitwerking gegeven over 'het verbond der genade' en de plaats die de uitverkiezing hierbij inneemt. De zes officiële leeruitspraken luiden als volgt:

1. Dat er geen wezenlijk onderscheid te stellen is tussen het Verbond der Verlossing (van eeuwigheid) en het Verbond der genade;

2. Dat de Heilige Schrift slechts twee verbonden kent en niet drie: namelijk het Verbond der Werken en het Verbond der Genade;

3. Dat Christus is de tweede Adam van Wien de eerste Adam als hoofd van het Werkverbond een voorbeeld was (Rom. 5:14) en dat Romeinen 5:12-19 zeer duidelijk handelt van de twee Verbondshoofden;

4. Dat wel het Genadeverbond van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus is opgericht, maar de openbaring van het Genadeverbond in de tijd eerst volgt op de verbreking van het Werkverbond. (door deze openbaring is te verstaan de oprichting van het Verbond met de uitverkorenen, die in de tijd in het Verbond worden ingelijfd);

5. Dat wel het Genadeverbond een uitwendige openbaringsvorm heeft, die onder Oud en Nieuw Verbond wisselt, en velen omvat die verworpenen zijn, maar dat alleen de uitverkorenen in het Verbond der Genade wezenlijk begrepen zijn;

6. Dat de verantwoordelijkheid van de mens wortelt in de schepping, krachtens welke schepping God van de gevallen mens Zijn beeld terugvordert. Die verantwoordelijkheid wordt te groter door de bemoeienissen die God met de mens maakt, als duidelijk blijkt o.a. uit Lukas 10:13-15.

In 1935 en 1936 resulteert een serie artikelen door dr. J.G. Woelderink in De Waarheidsvriend, het orgaan van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, waarin de leeruitspraken van 1931 worden gekritiseerd in verdere felle polemiek[2][3].

Praktische uitwerking doopvisie Gereformeerde Gemeenten

De Gereformeerde Gemeenten leren dat er tweeërlei bediening van het Verbond der Genade is, namelijk een inwendige en een uitwendige. Er is volgens hen ook tweeërlei betrekking tot en tweeërlei inzijn in het Verbond. De inwendige bediening strekt tot zaligheid, als door de bediening van Woord en Geest de mens wordt wedergeboren en komt tot het ware geloof. Zij beperken de beloften tot zaligheid tot hen die inwendig in het verbond begrepen zijn. Op Gods tijd en naar Gods welbehagen worden ze vervuld. Wat God eist, is tevens een belofte, namelijk: het geloof in Jezus Christus. Degenen die slechts in uitwendige zin tot dit genadeverbond behoren kunnen het Verbond verbreken door de weg van de zonde te kiezen. Het voorrecht in uitwendige zin tot dit genadeverbond te behoren brengt de verantwoording met zich mee om God in Christus te zoeken. "Zowel in de doop, als in de bediening van het hoorbare Evangelie, wordt Christus aangeboden, wordt men ernstig geroepen, want God betoont ernstig en waarachtig in zijn Woord, wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft met ernst allen die tot Hem komen en geloven, het eeuwige leven".


Verdere groei van het kerkverband

In de jaren 30 en 40 vertoont het kerkverband van de Gerefomeerde Gemeenten een snelle groei. Rotterdam-Centrum was in 1930 met circa 3.100 leden en doopleden de grootste gemeente van het kerkverband, vooral door aanwas van arbeiders afkomstig van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Van Alphens' Nieuw Kerkelijk Handboek uit 1930 meldt dat er in 1929 67 gemeenten waren met 26.380 leden en doopleden. Twintig jaar later - in 1949 - was het aantal gemeenten volgens het Kerkelijk Jaarboek toegenomen tot 140 en het aan­tal leden en doopleden tot 61.883. Dat was meer dan een verdubbeling van het aantal gemeenten en het ledenaantal met een gemiddelde groei van 6,7% per jaar.

De groei is voor een groot deel te verklaren door de aanwas van gemeenteleden uit voornamelijk de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar de bevindelijke prediking gedurende de twintigste eeuw steeds meer aan terrein verloor. Ook de duidelijke dogmatische profilering van de Gereformeerde Gemeenten speelde een rol.

De aanloop naar de scheuring van 1953

De oorlogsjaren gaven een tegenstelling te zien tussen de houding van Kersten tegen de Duitse bezetter en de houding van de Veenendaalse ds. R. Kok. Ds. Kersten werd na de oorlog zijn zetel in de Tweede Kamer ontnomen en in de Staatkundig Gereformeerde Partij manifesteerde zich een oppositiegroep tegen hem, die vond dat het hoofdbestuur dubieuze zaken uit de oorlogsjaren al te zeer met de mantel der liefde wilde bedekken. Daartoe behoorde onder meer de Zeister predikant M. Blok. Allerlei persoonlijke tegenstellingen en theologische traden naar boven.

Cornelis Steenblok

Ds. Kersten, wiens gezondheid minder werd, was zeer ingenomen met de overkomst van dr. C. Steenblok, die jarenlang predikant was in de Gereformeerde Kerken. Anderen waren echter minder ingenomen met de aanstelling van Steenblok als docent aan de Theologische School in Rotterdam. Steenblok kreeg al spoedig allerlei belangrijke posten toevertrouwd. Hij was naast docent aan de Theologische School, ook behulpzaam bij het redigeren van de dogmatiek en catechismusverklaring van ds. Kersten en ook spoedig hoofdredacteur van De Saambinder. Deze snelle opgang viel niet overal in goede aarde, temeer omdat Steenblok zich theologisch ging profileren op een manier die lang niet ieders instemming had. Ds. Kok had zich vanaf het begin tegen de overkomst van Steenblok verzet en hij was niet de enige. Echter door de doctorstitel (hij was in 1941 aan de VU gepromoveerd) bleek een vruchtbaar dialoog tussen de meeste predikanten van de Gereformeerde Gemeenten, die qua vooropleiding in die jaren vaak niet meer dan lagere school genoten hadden, en Steenblok niet gemakkelijk.

Discussie over de algemene genade

In de jaren dertig had de generale synode een uitspraak gedaan over het genadeverbond. Kersten, Kok en Fraanje konden zich allen in de formuleringen vinden. Dat was niet zo met Steenbloks opvattingen over de ‘algemene genade’ die hij strikt wilde scheiden van het verlossingswerk van Christus, dat naar zijn mening uitsluitend waarde had voor de uitverkorenen. Dit standpunt riep verzet op, want in het verleden had men daar in de Gereformeerde Gemeenten niet als zodanig over gedacht. Niettemin werd door de generale synode van 1945 de opvatting van Steenblok overgenomen.

Ds. Kok, die vanwege zijn houding in de oorlogsjaren tegenover Kersten was komen te staan, raakte in een isolement. In zijn gemeente Veenendaal rezen bezwaren tegen zijn prediking. Deze bezwaarde gemeenteleden vormden een afzonderlijke gemeente, geïnstitueerd door ds. M. van de Ketterij. Na de dood van ds. Kersten werd ds. Kok in 1950 geschorst wegens “vereenzelviging van Gods beloften met het aanbod van genade”.

Discussie over het aanbod van genade

De schorsing van Kok betekende niet de definitieve overwinning van de lijn-Steenblok. Op de Generale Synode van 1953 werd er kritiek geuit op dr. Steenblok als docent van de theologische school. De kritiek betrof het geven van eenzijdig onderwijs met name in betrekking tot de leer van het 'aanbod van genade'.

Steenblok had zich kritisch uitgelaten over een boekje dat in twee delen in Engeland verschenen was in 1645 en 1649, genaamd The Marrow of Modern Divinity van Edward Fisher. Schotse theologen als Thomas Boston en de broers Ralph en Ebenezer Erskine zouden zich volgens Steenblok hebben laten beïnvloeden door dit boekje terwijl het naar zijn mening een dwaling bevatte. Deze oudvaders werden bekend als "Marrow men" en namen in 1742 in hun belijdenis op dat "alhoewel de verzoening en voldoening van Christus uitsluitend is voor de uitverkorenen, Hij toch wel is gestorven ten aanzien van de bereikbaarheid van zalig worden voor alle mensen". Zij maakten onderscheid tussen de gevende liefde Gods in Christus, die algemeen tot alle mensen uitging, en een verkiezende liefde die alleen de uitverkorenen betrof. Zo kwamen deze oudvaders tot ‘een ruim aanbod van genade tot alle hoorders, zonder onderscheid’. Steenblok had moeite met de formulering 'aanbod van genade aan alle hoorders'. Hij sprak liever over 'voorstellen van de genade'.

De synode onthief Steenblok van zijn functie als docent "wegens diens eenzijdigheid in het geven van onderwijs". Uit protest verlieten de predikanten Aangeenbrug, Van de Ketterij en Mallan de vergadering. Steenblok volgde hen. Zo ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland


1953 tot heden

Sleutelrol

In de jaren zestig begonnen de Gereformeerde Gemeenten met zendingswerk in Irian Jaya, waaruit later de Gereja Jemaat Protestan di Indonesia is ontstaan. De eerste predikant die werd uitgezonden was Gerrit Kuijt. Later is men zendingswerk begonnen in Albanië, Ecuador, Nigeria en Zuid-Afrika.

Na Steenblok, die gepromoveerd was toen hij nog lid van de Gereformeerde Kerken in Nederland was, was Arie Vergunst de eerste predikant die een universitaire opleiding theologie voltooide. Vergunst was in de jaren zestig en zeventig diverse malen synodevoorzitter en doceerde aan de theologische school in Rotterdam. Hierna steeg het opleidingsniveau van predikanten en ambtsdragers al snel mee met de huidige maatschappelijke tendensen.

De Gereformeerde Gemeenten kreeg gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw een belangrijke sleutelrol binnen de 'bevindelijk-gereformeerde' bevolkingsgroep, bijvoorbeeld bij het oprichten van eigen organisaties als scholen en zorginstellingen. Ook interkerkelijke initiatieven als de Gereformeerde Bijbelstichting en het Reformatorisch Dagblad werden door de Gereformeerde Gemeenten (na enige lobby) ondersteund. Hierbij speelde onder andere ds. J. van Haaren (1933-1983) een belangrijke rol.[4]

Traditioneel karakter

Terwijl andere gereformeerde kerkgenootschappen afstand namen van traditionele zaken als het bedekken van het hoofd door vrouwen in de erediensten en tegelijkertijd liturgische vernieuwing en moderne media (televisie) ruim baan gaven, behield het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten grotendeels een traditioneel gereformeerd karakter. Opmerkelijk is dat juist de behoudende kerken als bijvoorbeeld de Gereformeerde Gemeenten het best bestand bleken tegen secularisatie en nog steeds een zekere mate van groei vertonen. Ondanks de groei kent het kerkverband de laatste jaren wel degelijk een relatief grote uitstroom van leden[5], waaronder de zogenaamde kerkverlaters.


Concentratie

Uit cijfers blijkt dat Gereformeerde Gemeenten op de westrand van de Veluwe hard groeien. In 1960 telde de classis Barneveld 5.615 leden en in 2011 16.543, een verdrievoudiging.[6] De Gereformeerde Gemeenten in Rotterdam namen in ledenaantal af van 7.494 in 1950 tot 1.587 in 2000. De gemeenten rond Rotterdam (Hendrik ido Ambacht, Alblasserdam, Sliedrecht etc.) namen in diezelfde periode toe van 1.533 naar 7.272.[7] Het gevolg van een en ander was dat er enerzijds veel kerken werden gesloten als Haarlem, Akkrum, Rotterdam-West, ’s-Gravenhage-Zuid, Zoutelande, Zuid-Beijerland, Oudewater en Lemmer. Anderzijds werden in Bijbelgordel vele nieuwe, grote kerkgebouwen gebouwd. Men trekt naar plaatsen waar veel eigen voorzieningen (scholen) zijn. Gevolg hiervan is dat kerkelijke gemeenten in de grote steden en buiten de Bijbelgordel kleiner worden.

Recente ontwikkelingen

Interne discussies

In beperkte mate kennen de Gereformeerde Gemeenten vleugelvorming. Onder predikanten komen over het algemeen geen problematische verschillen over de leer en/of prediking openbaar. Een predikant die regelmatig de pen opneemt in een poging om bepaalde verschillen te overbruggen of gevoelige thema’s aan te snijden is ds. C. Harinck.[8] Er is tot op heden een algemeen verstaan en verdraagzaamheid onder elkaar.[9] Wel is er tussen bepaalde gemeenten soms verschil in ‘klimaat’ waar te nemen. Dit uit zich bijvoorbeeld in een bepaald ‘uitnodigingsbeleid’ van predikanten.

Regelmatig wordt er intern ook kritiek geuit op de prediking binnen de Gereformeerde Gemeenten door individuele gemeenteleden. De critici op de prediking hadden een woordvoerder in prof. dr. ir. Johan Blaauwendraad, dr. Klaas van der Zwaag en mr. A.A. Bart. Door middel van diverse publicaties werd er kritiek geuit rondom o.a. het thema ‘de toe-eigening van het heil’. Hun kritiek werd echter op synodaal niveau afgewezen en al deze woordvoerders zagen zich gedwongen om het kerkgenootschap te verlaten.[10]

Recent ontstond ook onrust onder meer na het afwijzen van de Herziene Statenvertaling door de synode. Oproepen om herziening en/of het vervangen van verouderde woorden in de Statenvertaling worden regelmatig gedaan, omdat vele jongeren en ouderen moeite hebben met het verstaan van de Bijbel. Recent verscheen bij uitgeverij De Banier, met bijdragen vanuit o.a. de Gereformeerde Gemeenten, ‘De Bijbel met uitleg’. Dit is een editie van de Statenvertaling met uitleg van woorden en verzen en illustraties.[11]

Kerkelijke eenheid

Naar aanleiding van het onderzoek naar de scheuring van 1953 door dr. M. Golverdingen komt kerkelijke eenheid met de Gereformeerde Gemeente in Nederland regelmatig ter sprake. Aan beide zijde is ingenomenheid getoond met dit onderzoek. Het gesprek tussen beide kerkverbanden loopt nog steeds en is over het algemeen 'broederlijk' van aard.[12][13] Ook vanuit de behoudende hoek van de Christelijke Gereformeerde Kerken wordt de wens geuit om meer kerkelijk samenleven. Zo riep recent ds. A.A. Egas de Gereformeerde Gemeenten op om predikanten waarmee geestelijke herkenning bestaat op de kansels toe te laten.[14]

Kerkelijke instanties

Zending en evangelisatie

De Gereformeerde Gemeenten tellen verschillende deputaatschappen, stichtingen en verenigingen. De Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG) is de zendingsorganisatie van de kerk, hoewel ook enkele gemeenteleden voor andere organisaties werkzaam zijn. Het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeenten begon in de jaren 60, hoewel eerder daartoe opgeroepen was. In Irian Jaya werd aanvankelijk gewerkt onder het volk van de Yali, terwijl de arbeid later uitgebreid werd tot verschillende andere volken. Een deel van die arbeid is niet langer pionierszending, maar groeit in de richting van ondersteuning en toerusting van de inmiddels zelfstandig geworden jonge kerk. In Nigeria wordt in twee gebieden gewerkt. In Zuid-Afrika is sprake van ondersteunend werk. Nieuwe werkterreinen zijn Guinee, Ecuador en Albanië.

Overige organisaties

De Jeugdbond der Gereformeerde Gemeenten (JBGG) is de organisatie voor jeugdwerk. Gehandicaptenzorg is in handen van Siloah en Helpende Handen. Het Deputaatschap Bijzondere Noden (BN) regelt hulpverlening.

Kerkbouw

Wanneer in de 19e-eeuw de eerste Ledeboeriaanse- en kruisgemeenten ontstaan komt men bijeen in woonkamers, boerenschuren, pakhuizen en werkplaatsen, vaak met niet meer dan 20 personen. Slechts eenmaal is sprake van een riante plaats van samenkomst, het buitenverblijf van Sint-Jan ten Heere, waar de wortels liggen van de gemeente Middelburg-Centrum, geïnstitueerd in 1836.

In 1844 wordt aan de Raampoortlaan in Rotterdam een stenen kerkje in gebruik genomen. In 1850 wordt te Benthuizen een houten kerk gebouwd. Het gebouw was van hout want het was de bedoeling dat het een tijdelijk onderkomen zou zijn. Men hoopte nog altijd op terugkeer naar de Hervormde Kerk. Van de 19e-eeuwse kerkgebouwen is er niet een meer over. Kort na de eeuwwisseling wordt te Rotterdam de Boezemsingelkerk gebouwd, toentertijd bepaald geen doorsneekerk voor de Gereformeerde Gemeenten. De oorspronkelijke gevel had een klassiek gedetailleerd toegangsportaal met fraaie glas-in-loodramen. Slechts de door oefenaar N.H. Beversluis ontworpen Segeerstraatkerk te Middelburg kwam enigszins in de buurt, andere kerken van de voorgangers van de Gereformeerde Gemeenten misten deze allure. Ze werden ook wel getypeerd onder de naam schuurkerken. Heden ten dage zijn nog enkele voorbeelden te zien, onder andere in Wolphaartsdijk en Borssele. Laatstgenoemd kerkgebouw behoort inmiddels tot het beschermde dorpsgezicht.

In de jaren 30 verschenen statigere kerken zoals de Salemkerk in Lisse en het kerkgebouw te Krabbendijke. Deze kerken worden ook wel andreaskruiskerken genoemd. Na 1945 worden op grotere schaal kerken gebouwd, vanwege de groei van de Gereformeerde Gemeenten. De ontwerpen veranderen van zeer traditioneel naar vrij modern. Het nieuwe kerkgebouw (1951) van de gemeente in Kampen wordt ontworpen door een architect van de Amsterdamse School, Nicolaas Lansdorp [15]. Vooral bij grote stadsuitbreidingen worden moderne kerken gebouwd, zoals te Apeldoorn (1959), Rotterdam-Zuidwijk (1964) en Zeist (1972). Imposante kerkgebouwen uit deze periode zijn de Noorderkerk (1955) en de Zuiderkerk (1968) in Rijssen. De Noorderkerk was bij oplevering het grootste protestantse kerkgebouw dat na de oorlog als totale nieuwbouw in gebruik werd genomen en zou dat tot 2008 blijven. Veel kerkgebouwen worden in deze periode opgericht met tentdaken, zoals te Soest (1968), Rotterdam-IJsselmonde (1969), Tricht-Geldermalsen (1969), Opheusden (1971), Tholen (1971) en Meliskerke (1976).

In het laatste kwart van de 20e-eeuw worden enerzijds weer traditionelere kerken gebouwd, anderzijds worden enkele architecturaal opvallende kerken gebouwd, zoals de Sionkerk (1979) te Goes, Bodegraven (1996), Alblasserdam (1987) en Ooltgensplaat (1996). Enkele opvallende aangekochte bedehuizen zijn de Magnalia Deïkerk te Groningen, de Westerkerk te Utrecht (in gebruik van 1966 tot 2018) en de Hoofdstraatkerk langs de A4 te Leiderdorp. De gemeente Westzaan verwierf noodgedwongen een doopsgezinde vermaning uit 1695 en bezit hiermee het oudste kerkgebouw van het kerkverband. In de 21e-eeuw worden nieuwe kerken gebouwd in plaatsen als Barneveld, Geldermalsen, Gouda, Middelharnis, Tholen, Dirksland, Ede en Scherpenzeel. In diverse gemeenten worden plannen gemaakt voor nieuwe kerken, zoals te Yerseke en te Berkenwoude.


Ledenaantal

Naast de 152 gemeenten in Nederland (107.787 leden) en de 28 gemeenten in Noord-Amerika (11.097 leden) bevinden zich ook Gereformeerde Gemeenten in Zuid-Afrika (Randburg, 129 leden[16]) en Nieuw-Zeeland (Reformed Congregations of New Zealand, 178 leden[16]).

Verder bevinden zich zendingsgemeenten in Irian Jaya (Gereja Jemaat Protestan di Indonesia, 68 gemeenten met ruim 10.000 leden[17][18]), Nigeria (Nigeria Reformed Church, 14 gemeenten met circa 2500 leden[19]) en Bolivia (1 gemeente met 117 leden). Het totaal aantal leden van de Gereformeerde Gemeenten komt hiermee op circa 130.000. De ontwikkeling van het ledenaantal van de Nederlandse gemeenten is hieronder weergegeven:[20]

Ledentallen van grote gemeenten per 1 januari 2018

Nr. Gemeente Leden
1 Rijssen-Zuid 2.738
2 Nunspeet 2.366
3 Yerseke 2.362
4 Barneveld-Centrum 2.352
5 Kootwijkerbroek 2.327
6 Rijssen-Noord 2.320
7 Veenendaal 2.218
8 Opheusden 2.216
9 Genemuiden 2.136
10 Krabbendijke 2.058
11 Hendrik-Ido-Ambacht 2.149
12 Scherpenzeel 2.060
13 's Gravenpolder 2.052
14 De Valk-Wekerom 1.896
15 Werkendam 1.792
16 Barneveld-Zuid 1.691
17 Tricht-Geldermalsen 1.668
18 Gouda 1.628
19 Rijssen-West 1.622
20 Kampen 1.601
21 Krimpen aan den IJssel 1.587
22 Alblasserdam 1.563
23 Kapelle-Biezelinge 1.550
24 Dordrecht 1.516
25 Goes 1.516

Bekende leden


Literatuur

LITERATUUR UIT EIGEN KRING:

OVERIGE LITERATUUR:

  • J.P. Zwemer, De bevindelijke gereformeerden, Kampen, 2001 (serie: Wegwijs).
  • J.P. Zwemer, In conflict met de cultuur. De bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de twintigste eeuw, Kampen, 1992.
  • A. van der Meiden, De zwarte-kousen kerken. Portret van een onbekende bevolkingsgroep, Utrecht, 1968. (Vijfde herziene uitgave 1993).
  • C.S.L. Janse, Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Houten, 1985.

Externe links


Monumenten in de buurt van Klokkenstoel met klok van de Gereformeerde gemeente in Uddel

Boerderij. Woongedeelte en stal worden gedekt door een hoog wolfdak, met riet gedekt. Voorgevel met vlechtingen, kleine rode lichtopeningen en venster ..

Garderenseweg 65
Uddel (Gemeente Apeldoorn)
Boerderij, blijkens jaartalankers in de voorgevel uit 1725. Woongedeelte en stal worden gedekt door een hoog wolfdak, met riet gedekt. Voorg..

Terrein waarin een grafheuvel

-
Uddel (Gemeente Apeldoorn)
Terrein waarin een grafheuvel. Datering: Neolithicum en/of Bronstijd. (gedeeltelijke bescherming, zie bijlage C).

Jachtopzienerswoning met schuren

't Hof 33
Uddel (Gemeente Apeldoorn)
Inleiding JACHTOPZIENERSWONING met SCHUREN, gelegen aan de noordzijde van 't Hof te Uddel, in het uiterste westen van het Kroondomein. De w..

Vrijstaande jachtopzienerswoning met voormalig bakhuisje en waterput

Heegderweg 56
Uddel (Gemeente Apeldoorn)
Inleiding Vrijstaande JACHTOPZIENERSWONING met voormalig BAKHUISJE en WATERPUT, gelegen aan de zuidzijde van de Heegderweg te Uddel, in het..

archeologie

-
Uddel (Gemeente Apeldoorn)
Terrein met pingoruine, resten van nederzettingen, grafheuvels en een ringwalbrug uit het Neolithicum en de Middeleeuwen.

Kaart & Routeplanner


Foto's (3)