Meer dan 63.000 rijksmonumenten


Oude Rijks HBS in Venlo

Gebouw

Monseigneur Nolensplein 71
5911GG Venlo
Limburg

Bouwjaar: 1887-1889


Beschrijving van Oude Rijks HBS

Inleiding De voormalige Rijks HBS is met drie vleugels om een binnenplaats gebouwd. Het object is gesitueerd op de hoek van het Mgr. Nolensplein en de Sint Martinusstraat op de plek van de oude stadsmuur, welke overigens zichtbaar is gemaakt op de binnenplaats. Aan het Mgr. Nolensplein vormt een modern hek -het authentieke smeedijzeren hek is vervangen- de toegang tot dit binnenplein. Het complex is gebouwd in neorenaissance stijl. De achterzijde van de gebouwen is qua stijl gelijk aan de voorgevels doch eenvoudiger in uitvoering. Het complex is na opdracht van het Rijk in 1880 in twee fases tot stand gekomen. De vleugel aan het Mgr. Nolensplein en aan de Sint Martinusstraat vormen de kern van het gebouw en zijn gebouwd tussen 1887-1889. Na toestemming van de minister in 1912 om de HBS om te vormen van een driejarige naar een vijfjarige opleiding is in 1914 een nieuwe vleugel gerealiseerd welke dwars staat op de vleugel aan de Sint Martinusstraat. De architect van de school was Rijksbouwmeester J. van Lokhorst. De nieuwe vleugel werd gebouwd naar ontwerp van J.A.W. Vrijman, conform het ontwerp van Van Lokhorst. Het is overigens zeer waarschijnlijk dat architect Pierre Cuypers grote invloed op het ontwerp van Van Lokhorst heeft uitgeoefend. Cuypers was in die dagen als "Rijkskundige voor de gebouwen van Onderwijs" de directe baas van Van Lokhorst die als diens assistent was aangenomen. Zeker in de beginjaren heeft Cuypers Van Lokhorst veelvuldig van advies gediend en al diens ontwerpen gecontroleerd. In stijl, zorgvuldigheid en detaillering ademt dit gebouw dan ook de geest van Pierre Cuypers. Na een periode van leegstand, kantoorfunctie is het gebouw in 1993 ingrijpend gerenoveerd en verbouwd, waarbij in de klaslokalen appartementen zijn gerealiseerd en de nieuwe vleugel kantoren, met behoud en restauratie van zoveel mogelijk authentieke details. De deuren en vensters aan de achterzijde zijn bij de restauratie van 1993 vervangen. Ook zijn er aan de achterzijde enkele geheel nieuwe vensteropeningen gerealiseerd, waaronder twee dakramen in de rechthoekige toren (achterzijde rechtervleugel). Omschrijving Het object is oorspronkelijk gebouwd op een asymmetrisch V-vormig grondplan, waarbij de rechtervleugel langer is dan de linkervleugel. Dit grondplan, met verbindend centraal hoofdvolume en twee min of meer haaks geplaatste zijvleugels, is aangepast aan de hoeksituering van het object. In 1914 werd dwars op de rechtervleugel een nieuwe vleugel gebouwd welke de plattegrond heeft veranderd in een soort U-vorm, hetgeen nog steeds de huidige plattegrond is. Het pand is tweelaags met kapverdieping onder leien in maasdekking. Segmentboogvormige rechthoekige houten vensters met glas-in-loodbovenlichten. Het object heeft een opstand van roodbruine baksteen met een geleding van horizontale, geel getinte banden, met metselwerk in kruisverband. De op de hoek gesitueerde HOOFDINGANG met uitgebouwde erker en topgevel is het rijkst geornamenteerde deel van de voorgevel. De ingang is een boogvormige nis met geprofileerde baksteenomlijsting en bewerkte eiken deur met twee vleugels. Natuurstenen bovendorpel rustende op consoles. Het bovenlicht is een driepas van glas-in-loodraampjes met pauwestaart-motief. In de baksteen sierlijst zijn drie natuurstenen ornamenten aangebracht. Boven de deur bevinden zich aan weerszijden consoles met gebeeldhouwde engeltjes, welke rusten op met palmetten geornamenteerde voetstukken. Op de dekplaat van de consoles rust een architraaf, welke de erker in het vlak van de eerste verdieping steunt. Boven de architraaf bevindt zich een rechthoekig natuurstenen medaillon, waarin een met bladertakken omgeven sjerp is uitgebeiteld met de tekst: "Rijks Hoogere Burgerschool". In de voorzijde van de erker bevinden zich drie hoge ramen met rechthoekige bovenlichten. In de zijkanten bevindt zich eveneens aan weerszijden een raam, iets smaller dan die aan de voorzijde. Boven de ramen is een kroonlijst met bladmotief aangebracht. Hierboven bevindt zich het dak van de erker, een half, met leien in maasdekking gedekt zadeldak met schildeinden. Aan weerszijden van de bovendorpel van de erker bevindt zich een console met bolmotief, welke de trapgevel (zes trappen) steunen. Deze trapgevel springt iets vooruit, waardoor zich direct boven de erker een verdiept muurvlak bevindt: een grote boog, bekroond door een klein boogje. In dit muurvlak bevinden zich drie ramen met natuurstenen boven- en onderdorpel met daarboven drie boogvormige bovenlichten, waarvan het middelste hoger dan de andere. Het verdiepte muurvlak heeft een geprofileerde baksteenomlijsting waarbij in de bovenste, kleinere boog zich een console bevindt met een lachend kinderkopje met grote oren, een verwijzing naar het stimuleren van de bereidheid tot luisteren. Op de console rust een overhoeks geplaatste bakstenen pijler, welke is bekroond door een zittende leeuw met wapenschild. Op dit schild is een staande leeuw met zwaard uitgebeiteld. De trappen van de gevel hebben natuurstenen dekplaten in de vorm van een zadeldakje. De LINKERVLEUGEL, de gevel aan het Mgr. Nolensplein, bestaat uit zeven traveeën alle kruisramen met rechthoekig bovenlicht en natuurstenen onder- en middendorpels. Het bovenlicht van elk raam wordt bekroond door een segmentboog, waarbinnen zich twee halve cirkels bekroond met een kwart cirkel bevinden, gevuld met geel, blauw en rood gekleurde baksteentjes. Onder de ramen van het gelijkvloers bevinden zich twee geprofileerde sierlijsten van natuursteen. Onder de onderlijst bevindt zich een vooruitspringende baksteenplint, waarop acht baksteenpijlers rusten waartussen de ramen zijn aangebracht. Tussen de ramen zijn smeedijzeren muurankers aangebracht, zestien in totaal. De dakrand rust op natuurstenen consoles, waartussen zich een baksteen sierlijst bevindt. In de kap bevinden zich vier dakkapellen. De gevel heeft op het einde een trapgevel van acht trappen. Vanaf het gelijkvloers is een brede schoorsteen, gedeeltelijk uit de schoorsteen springend, gebouwd, waarbij de top van de schoorsteen de bovenste trap van de gevel is. In het vlak van de trappen bevindt zich aan elke kant van de schoorsteen een dubbel rechthoekig raam met segmentboog van gekleurde baksteentjes en geflankeerd door smeedijzeren muurankers. De RECHTERVLEUGEL, de gevel aan de Sint Martinusstraat, is asymmetrisch van opzet met een risalerend geveldeel, en op het einde een toren op rechthoekig grondvlak. In het eerste vlak van gevel bevinden zich gelijkvloers en op de eerste verdieping zes kruisramen, welke alle zijn uitgevoerd gelijk de kruisramen in de linkervleugel aan het Mgr. Nolensplein. In de kapverdieping bevinden zich drie dakkapellen. In het risalerende geveldeel bevinden zich gelijkvloers en op de eerste verdieping twee kruisramen. Ter hoogte van de segmentbogen op de eerste verdieping bevindt zich aan elke zijde een console, waarboven een baksteen boog begint welke een natuurstenen driepas omgeeft. Hierboven bevindt zich aan weerszijden een zijconsole, waarnaast zich aan beide zijden een smeedijzeren muuranker bevindt. De vooruitspringende trapgevel van acht trappen rust op de consoles. In het vlak van de trapgevel zijn vijf boogvormige, verdiepte muurvlakken naar boven verspringend, met segmentboogjes van gekleurde baksteen. De binnenste drie bogen rusten op vier consoles, welke zijn voorzien van gebeeldhouwde kinderkopjes. Onder de middelste boog bevindt zich een dubbel rechthoekig raam. Boven de middelste boog bevindt zich een console waarop een streng onderwijzersgezicht is gebeeldhouwd. Op deze console rust een overhoeks geplaatste baksteenpijler, welke door de bovenste trap van de gevel loopt. De trap wordt bekroond door een overhoeks geplaatste natuurstenen pijler waarop een smeedijzeren windvaan is aangebracht. Links van pijler bevindt zich een gebeeldhouwde kinderfiguur met wereldbol in de handen, rechts een kinderfiguur met opengeslagen boek op schoot. Het volgende vlak van de gevel vormt in feite de rechterzijgevel van de recentere aanbouw, de DWARSVLEUGEL uit 1914. In dit deel van de gevel bevinden zich gelijkvloers twee kruisramen en een bewerkte eiken deur met twee vleugels. De natuurstenen bovendorpel wordt bekroond door een grotere segmentboog. In de segmentboog zijn kleinere boogjes van gekleurde baksteentjes aangebracht. Op de eerste verdieping bevinden zich drie kruisramen, eveneens onder segmentboog. Rechts van dit muurvlak begint de toren op rechthoekig grondvlak, nog steeds aan de Sint Martinusstraat. In het gelijkvloers bevinden zich drie kleine, rechthoekige ramen met rechthoekig bovenlicht. In de eerste verdieping begint met een geprononceerde, natuurstenen sierlijst. Hierboven bevindt zich een groot boogvormig glas-in-loodraam, welke in drieën wordt gedeeld door twee geprofileerde baksteenpijlers; de onder- en middendorpel zijn van natuursteen. Het raam heeft drie glas-in-loodbovenlichten en wordt bekroond door een segmentboog waarin zich kleinere boogjes van gekleurde baksteentjes bevinden. De segmentboog, met aan weerszijden een smeedijzeren muuranker, is omgeven door een baksteenboog waarin zich drie natuurstenen ornamenten bevinden. De toren heeft een zadeldak met schildeinden met op de uiteinden een metalen pinakel. De voorzijde van de dwarsvleugel grenst aan de binnenplaats. Deze is, als gezegd, een sobere uitvoering van het originele ontwerp. Het linkerdeel van de dwarsvleugel is blind en springt iets uit ten opzichte van de rest van de vleugel. In het niet-uitspringende deel van de dwarsvleugel bevinden zich op het gelijkvloers vijf kruisvensters onder gedrukte segmentbogen en op de verdieping vijf kruisvensters met alleen een latei en een hardstenen onderdorpel. Over de gehele gevel lopen horizontale banden van gele baksteen. In de kapverdieping bevinden zich twee dakkapellen. De linkerzijgevel van de dwarsvleugel repeteert dit patroon: op het gelijkvloers drie vensters onder gedrukte segmentboog, op de verdieping eveneens drie kruisvensters, maar dan zonder segmentboog en in de kapverdieping een dakkapel. De achtergevel van de dwarsvleugel grenst aan een belendend perceel. Het eerste deel van deze gevel grenst direct aan een ander pand, het achterste deel van deze gevel heeft op onregelmatige afstand van elkaar, vier smalle rechthoekige vensters. De ACHTERGEVEL van het hoofdvolume grenst, evenals de voorgevel van de dwarsvleugel, aan het binnenterrein en is onregelmatig van vorm en sober van ornamentiek. Over de gehele lengte van de achtergevel loopt halverwege het gelijkvloers en de verdieping een hardstenen, geprofileerde sierlijst. Daarnaast is achtergevel -evenals voorgevel- horizontaal geleed met banden van gele baksteen. De achterzijde van de hoofdingang bestaat uit een tweelaagse toren op vijfhoekig grondvlak. Het tentdak, bekroond door middel van een metalen pinakel, is door middel van een steekkap verbonden met het zadeldak van het hoofdvolume. Ter hoogte van de eerste verdieping bevinden zich in drie verschillende muurvlakken drie rechthoekige glas-in-loodvensters, horizontaal geleed door middendorpels. Op het gelijkvloers bevindt zich in de toren een (moderne) deur onder hardstenen latei en bekroond met bakstenen segmentboog, waarbij de boog is gevuld met rode, gele, blauwe en groene baksteentjes. De achterzijde van de rechtervleugel (links van bovengenoemde toren), is aan de rechterzijde uitgebouwd en met een lessenaarsdak verbonden aan het hoofdvolume, alwaar zich in het zadeldak één dakkapel bevindt. In dit uitgebouwde deel bevinden zich ter hoogte van de eerste verdieping zes kleine rechthoekige raampjes onder segmentboog, waarvan de velden zijn gevuld met gele, rode, groene en blauwe baksteentjes. Links van deze uitbouw springt de uitbouw iets terug. In het midden van deze minder teruggelegen uitbouw, bevindt zich een iets uitspringende toren op rechthoekig grondvlak, welke gerealiseerd is bij de uitbreiding van 1914. De achterzijde van de linkervleugel (rechts van de achterzijde van de hoofdingang), begint links van de toren op vijfhoekig grondvlak (achterzijde hoofdingang) met een kleine uitbouw waar zich zowel in het vlak van het gelijkvloers als van de verdieping drie kleine vensters onder segmentboog bevinden. Deze uitbouw is door middel van een lessenaarsdak met het hoofdvolume verbonden. Rechts hiervan wijkt de uitbouw iets terug. Geheel rechts gaat deze uitbouw over in een vierkante toren met tentdak. In de kapverdieping van het hoofdvolume bevindt zich één dakkapel. Het INTERIEUR bevat de nodige elementen welke aan de oorspronkelijke functie van schoolgebouw herinneren. Achter de ingangsdeur bevindt zich een portiek, welke wordt afgescheiden van de hal door middel van een dubbele tochtdeur met zijpanelen en daarboven vier glas-in-loodramen. In de hal bevindt zich links het trappenhuis met authentieke trap en lambriseringen van tegels in witte en zwarte kleurstelling. De traptreden zijn voorzien van natuursteen, de leuningen zijn van siersmeedwerk. Aan het begin van de trap staat een pijler met kapiteel op natuurstenen voet. Dit kapiteel is geornamenteerd met acanthusbladeren waarbij in elk vlak een uil, een verwijzing naar wijsheid, is afgebeeld. Het plafond van de hal bestaat uit zware balken en dwarsbalken met rozetjes. Op de eerste verdieping ligt in de erker boven de ingangspartij de voormalige docentenkamer welke is uitgerust met een betegelde schouw met taps toelopende boezem, geflankeerd door twee ionische zuilen waarvan het piëdestal is gedecoreerd met een leeuwenkop en gedecoreerde consoles waarop de schouwbalk met fries rust. De dwarsbalken van het plafond zijn geornamenteerd met rozetjes. De hal en gangen op zowel de verdieping als het gelijkvloers zijn voorzien van bovengenoemde lambriseringen en hebben nog de originele tegelvloer. Het interieur van de dwarsvleugel is nagenoeg een kopie van dat van het hoofdvolume, doch soberder van uitvoering. Van belang is o.a. de lange gang met tegelvloer en lambrisering. Waardering Het object is van algemeen belang. Het pand heeft cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een culturele en geestelijke ontwikkeling, namelijk de ontwikkeling van het onderwijs in de 19de eeuw. Het is tevens van belang als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van het schoolgebouw. Architectuurhistorisch is het van belang vanwege de stijl, de detaillering van zowel exterieur als interieur èn als voorbeeld van het werk van de architect J. van Lokhorst. Het is architectuurhistorisch ook van belang vanwege de hand van Pierre Cuypers in het ontwerp van deze school. Voorts heeft het object ensemblewaarden vanwege de markante hoeksituering en de verbondenheid met de ontwikkeling van de stad. Het is van belang vanwege de architectonische gaafheid èn vanwege de typologische zeldzaamheid. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Rijksmonument nummer: 524753
Laatste wijziging: 2014-10-12 20:04:29.0

Recensies en ervaringen

Toevoegen

Wikipedia artikel

Dit artikel is volledig afkomstig van Wikipedia en valt onder de CC BY-SA licentie
Hoorn - HBS.jpg
Voormalige HBS te Hoorn
Voormalig Rijks HBS - Groningen - 20412977 - RCE.jpg
Voormalige Rijks HBS te Groningen
20120519 Vm RHBS Harlingen NL.jpg
Voormalige RHBS te Harlingen
1035 Brouwenaarstr 2 508775.JPG
Voormalige HBS te Vlissingen
Beilerstraat 30 Assen.jpg
Voormalige Rijks HBS te Assen
Oude RijksHBS.jpg
Voormalige RHBS te Venlo
't Venster 1.jpg
Voormalige Rijks-HBS te Wageningen
P1010175Koningin Wilhelmina-Paviljoen.JPG
Het Koningin Wilhelmina Paviljoen van de KMA in Breda, in 1867 geopend als gemeentelijke HBS
Rotterdam mecklenburglaan school.jpg
Voormalige HBS voor meisjes in Rotterdam

De hogereburgerschool (ook: hogere-burgerschool, vaker: hogere burgerschool; destijds altijd afgekort tot H.B.S. of HBS, thans ook als hbs) was een Nederlandse onderwijsvorm voor voortgezet middelbaar onderwijs. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de hbs opgevolgd door enerzijds de vijfjarige havo en anderzijds het zesjarige vwo (met daarin, als meer directe opvolger van de HBS, het zesjarige atheneum, naast het vanouds bestaande gymnasium). De laatste eindexamens voor de hbs werden in 1974 afgenomen (voor de zogenaamde "bezemklas" van de zesjarige hbs).

Naam

De term burgerschool ontstond op grond van een wet van 1863 en had oorspronkelijk tweeërlei toepassing:
1. a) tweejarige (burger)dagschool; in beperkt aantal in stand gehouden tot 1904

b) (burger)avondschool: geleidelijk opgegaan in de avond(ambachts)school

2. Als afkorting van hogereburgerschool (vroeger 'Hoogere Burgerschool' gespeld).

Alleen de tweede toepassing is lang in gebruik gebleven. Er was geen lagere of middelbare burgerschool. Wel kwam er al spoedig ook een Middelbare meisjesschool, qua doelstelling enigszins vergelijkbaar met de huidige havo.[1]

Er bestond een parallellie in naam en in functie met de iets later, in 1868, opgerichte Hogere Krijgsschool (vroeger 'Hoogere Krijgsschool' gespeld, afgekort tot HKS), aanvankelijk gevestigd in Haarlem, later in 's-Gravenhage. Deze werd opgericht door het Ministerie van Oorlog met als doel om officieren op te leiden voor de hogere functies in de staf van de landmacht. De oorspronkelijke naam was "School tot voorlopige opleiding van stafofficieren" en het was een voorloper van de sedert 1875 geheten "Krijgsschool voor officieren" in Breda. Zoals de HBS opleidde voor hogere functies in de burgermaatschappij moest de HKS opleiden voor hogere functies in het leger. Ook was er nog de Hogere Marine Krijgsschool.

Geschiedenis

De Hogere Burgerschool werd ingevoerd bij de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863 van Johan Rudolph Thorbecke. Deze nieuwe opleiding was bestemd voor dat deel van de burgerij dat geen wetenschappelijke opleiding wenste, maar een brede algemene ontwikkeling en maatschappelijk nuttige kennis. Jongelieden uit de gezeten burgerij konden daarmee worden voorbereid op 'hogere' functies in handel en industrie. Deze praktische vakken betroffen boekhouden, handelskennis, moderne talen, alsmede wis-, natuur- en scheikunde.[2] De HBS moest oorspronkelijk drie jaar duren en was tevens bedoeld als onderbouw van een aantal landbouwscholen. Op enkele plaatsen in het land moest een vijfjarige variant komen ter voorbereiding op de te stichten Polytechnische school in Delft.

In 1864 stichtte het rijk de eerste Rijks Hogere Burgerscholen, diverse gemeenten volgden dit voorbeeld. De eerste Rijks-HBS'en (RHBS) kwamen achtereenvolgens in Groningen,[3] in Roermond[4][5] en in Tilburg[6] (alle in 1864). De Eerste Gemeentelijke Hogere Burgerschool met vijfjarige cursus kwam in Den Haag in 1865.

In de praktijk ontstonden twee soorten, namelijk de driejarige en de vijfjarige hbs. Ook is er enige tijd een zesjarige cursus geweest met eenzelfde programma als de vijfjarige. Bij alle lag de nadruk op het onderwijs in wiskunde, exacte vakken en moderne talen. Terwijl de bestaande middelbare scholen, de gymnasia vooral in de grote steden stonden en door de gemeenten onderhouden werden, stichtte het Rijk in kleinere plaatsen hbs'en, bijvoorbeeld in Ter Apel en Zierikzee. Anders dan verwacht werd vooral de vijfjarige hbs een succes, de driejarige hbs werd grotendeels verdrongen door de mulo, waar in vier jaar dezelfde stof onderwezen werd. Bovendien gaf het overgangsbewijs naar de vierde klas van de vijfjarige hbs dezelfde rechten als het eindexamen driejarige.

Binnen rooms-katholieke en gereformeerde milieus was het hbs 5 j.c.-type weinig populair gezien het openbare karakter van de scholen alsmede vanwege het intellectualistische en naturalistische leerplan. Het ontbreken van klassieke talen ten gunste van de realia ('zaakvakken') zouden de scholen minder geschikt maken voor "de vorming van een levensbeschouwing die zich boven de utilistische weet te verheffen".[7]

Het onderwijs aan de hbs werd meestal gegeven door academisch gevormde en vaak gepromoveerde leraren. Zij ontbeerden echter lange tijd iedere didactische scholing.[8] Meisjes werden pas vanaf 1871 tot de hbs toegelaten en hadden hiervoor toestemming van de minister nodig. Vanaf 1906 was de toelating vrij.

Vanaf 1909 werden veel hbs'en opgenomen in lycea, waardoor de keuze tussen hbs en gymnasium een of twee jaar kon worden uitgesteld. In verband hiermee konden lycea vooral bij een tweejarige brugperiode een zesjarige HBS-opleiding aanbieden. De lycea waren overigens tientallen jaren lang niet wettelijk geregeld.

In 1917 werd de vijfjarige hbs als voorbereidingsschool voor de exacte universitaire richtingen officieel erkend.
In 1924 werd de bestaande hbs omgedoopt in hbs-b met een sterke wis- en natuurkundige component en werd als opvolger van de Handelsschool de literair-economische hbs-a ingevoerd, waar de nadruk op economische vakken en moderne talen lag. De splitsing vond plaats na het derde jaar. In 1937 verwierf ook de hbs-a studierechten voor de universiteit.

Toelatingsexamen

Leerlingen van de zesde klas van de lagere school moesten een toelatingsexamen doen om tot hbs, gymnasium of lyceum te worden toegelaten. Iedere middelbare school had zijn eigen toelatingsexamen; soms werd het toelatingsexamen gezamenlijk georganiseerd door alle middelbare scholen in een bepaalde plaats. Na de Eerste Wereldoorlog schafte minister de Visser voor de hbs de toelatingsexamens af. Toen in het veld alom werd geklaagd dat de hbs werd overstroomd door leerlingen met een mindere begaafdheid, voerde minister Waszink ze tien jaar later weer in. Dat stuitte de toevloed van leerlingen overigens niet. In het tijdvak zonder toelatingsexamens groeide het aantal leerlingen op hbs-en van 23454 naar 32086 (met 36 procent). Tien jaar later waren het er ondanks de opnieuw ingevoerde toelatingsexamens 47588 (48 procent meer).[8]

Eindexamen

De eerste eindexamens hbs werden afgenomen in 1866.[9] Er waren 38 deelnemers, waarvan 15 niet op een reguliere hbs hadden gezeten. Er slaagden 23 kandidaten. De eindexamens waren per provincie georganiseerd. Een commissie benoemd door de Commissaris van de Koning(in) nam de examens af. In de commissie zaten schooldirecteuren en leraren uit de betreffende provincie.[10] Zij stelden het schriftelijk examen op en regelden het aanvullende mondeling.

Als rechtgeaard liberaal had Thorbecke maar weinig regels vastgelegd. Toen aan het diploma rechten verbonden werden, kwamen er snel meer gedetailleerde voorschriften. Op de scholen groeide een echte examencultuur.

Omstreeks 1910 kwam er een landelijk schriftelijk eindexamen. In 1920 stopten de provinciale commissies met de mondelinge examens. Die werden voortaan afgenomen door deskundigen (zogeheten gecommitteerden) benoemd door de Minister van Onderwijs.

Verder studeren

Een hbs-diploma gaf aanvankelijk slechts toegang tot de polytechnische hogeschool, de huidige Technische Universiteit Delft, de Rijks hogere land- tuin- en bosbouwschool, de huidige Wageningen Universiteit en Researchcentrum, die pas in 1905, respectievelijk 1917 tot het hoger onderwijs gerekend werden. Een andere mogelijkheid tot verdere studie waren de in 1913 opgerichte Nederlandse Handelshogeschool, de huidige Erasmus Universiteit Rotterdam en de in 1927 opgerichte Roomsch Katholieke Handelshoogeschool, de huidige Universiteit van Tilburg.

In de faculteit van de geneeskunde kon men met het hbs-diploma alle examens tot en met het artsexamen afleggen. Voor een wetenschappelijke promotie tot doctor in de geneeskunde was echter tot 1918 een gymnasiumdiploma nodig. Veel Nederlandse artsen promoveerden daarom in het buitenland. Ook legden veel hbs'ers tijdens hun studie het staatsexamen gymnasium af, dat wel volledige toegang tot de universiteit gaf. Vanaf 1918 werden studenten met een diploma hbs (vanaf 1924: met een diploma hbs-b) ook toegelaten tot de faculteit van de wis- en natuurkunde.

Dat een dusdanig zware opleiding slechts een zo beperkte toegang tot de universiteit gaf, moge ons vreemd voorkomen. Thorbecke echter had gemeend dat de hogere burgers meer dan tevreden zouden zijn met de hbs als eindonderwijs voor hun kinderen. Wetenschappelijk onderwijs ambieerden zij toch niet. Toen de hbs wel een voorbereiding op de universiteit werd, ging de doelstelling van de hbs als eindonderwijs botsen met de doelstelling van de hbs als voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.[8]

Het diploma hbs-a gaf aanvankelijk alleen toegang tot de studie in de economie. Omstreeks 1950 gaven de diploma's hbs-a en hbs-b het recht te promoveren in de volgende vakken (en dus ook om die vakken te studeren):[11] economische wetenschappen, Indisch Recht, sociale aardrijkskunde, vrije studierichting aardrijkskunde en politiek-sociale wetenschappen. Voor hbs-b kwamen daar naast alle vakken op de toenmalige technische hogescholen (later Technische Universiteit genoemd, aanvankelijk nog alleen in Delft, later ook Eindhoven en Twente) nog bij de vakken: natuurkundige aardrijkskunde, wiskunde, natuurwetenschappen, geneeskunde, veeartsenijkunde en psychologie. Tot de invoering van de Mammoetwet bleef de studie in de theologie, de rechten en de letteren voorbehouden aan gymnasiasten. Als men rechten of notariaat wilde studeren na de HBS moest men een aanvullend tentamen Latijn doen. Wie letteren of theologie koos moest een staatsexamen gymnasium doen.

Meisjes

Nadat in 1906 meisjes algemeen toegelaten waren, werden in grote steden ook aparte meisjes-hbs'en met zesjarige cursus gesticht, vaak in samenhang met een middelbare meisjesschool. In 1946 schreef Philip Kohnstamm:[8] "Vooral in de hogere klassen stelt het tempo van het onderwijs eisen aan de meisjes, die boven een heilzame krachtsinspanning uitgaan". Met deze verzuchting lijkt tot de invoering van de Mammoetwet niets gedaan te zijn.

In de jaren 60 liep het aantal inschrijvingen voor categorale jongens- of meisjesscholen geleidelijk terug. Na de invoering van de Mammoetwet mochten scholen geen onderscheid meer maken naar de sekse van de leerlingen.

Nobelprijzen

Meer dan op het traditionele gymnasium lag in de hbs de nadruk op de exacte vakken. De hbs bleek dan ook een kweekvijver voor toekomstige Nobelprijswinnaars.[12] Tussen 1901, toen de eerste Nobelprijs werd uitgereikt, en het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914), wisten Nederlandse natuurwetenschappers de ene na de andere Nobelprijs in de wacht te slepen. Men sprak wel van een 'Tweede Gouden Eeuw'. Van de vijf Nederlandse Nobelprijswinnaars in die periode waren Van 't Hoff, Lorentz, Zeeman en Kamerlingh Onnes oud-hbs'ers, terwijl Van der Waals een tijdlang leraar was aan dit schooltype.[13] Ook latere Nederlandse Nobelprijswinnaars hadden vaak een hbs-achtergrond, te weten: Einthoven, Zernike, Jan Tinbergen, Niko Tinbergen, Crutzen, Veltman en Feringa.

Galerij

De H.B.S. in het voormalige Nederlands-Oost-Indië

Zie ook

Literatuur

  • Casimir, R. en Verheyen, J.E. (red), Paedagogische encyclopaedie, Wolters, Groningen, 1937-1949.
  • Kees Mandemakers, HBS en gymnasium : ontwikkeling, structuur, sociale achtergrond en schoolprestaties, Nederland, circa 1800-1968, Amsterdam, Stichting Beheer IISG, 1996.
  • Mirjam Janssen, De andere schoolstrijd, in Historisch Nieuwsblad 1/2013
  • Bouwman, Roelof en Steenhuis, Henk, Wij van de HBS. Terug naar de beste school van Nederland. Amsterdam: Meulenhoff, 2017

Monumenten in de buurt van Oude Rijks HBS in Venlo

Woonhuis op rechthoekig grondvlak, gebouwd als herenhuis

Sint Martinusstraat 66
Venlo
Inleiding WOONHUIS op rechthoekig grondvlak in dwarsrichting even achter rooilijn aan de Sint Martinusstraat te Venlo. Het huis is in 1908 ..

Villa Linssen

Sint Martinusstraat 60
Venlo
Inleiding WOONHUIS op rechthoekig grondvlak in dwarsrichting aan rooilijn van de Sint Martinusstraat te Venlo. Aanvankelijk had een pand ..

Metropole

Straelseweg 1
Venlo
Inleiding Hoekbebouwing Noord-Binnensingel-Straelseweg bestaande uit vier Art Nouveau panden gebouwd tussen 1901 en 1903 in opdracht van ..

Vrm. Duitse School

Julianastraat 3
Venlo
Inleiding Voormalig schoolgebouw met twee woningen op rechthoekig grondvlak in lengterichting achter terugwijkende rooilijn aan de Juliana..

Villa Flora

Wilhelminapark 1
Venlo
Inleiding VILLA FLORA, 1901, in eclectische bouwstijl met elementen van Art Nouveau. Gebouwd naar een ontwerp van de Belgische architect P..

Kaart & Routeplanner

Route naar Oude Rijks HBS in Venlo

Foto's (1)