Meer dan 63.000 rijksmonumenten


Complex Kerkstraat 1: voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achterhuis, vlaamse schuur en karschop in Berkel Enschot

Boerderij

Kerkstraat 1
5056AA Berkel Enschot (gemeente Tilburg)
Noord Brabant

Bouwjaar: waarschijnlijk 1842 (herbouwd) 1912 (verb.)


Beschrijving van Complex Kerkstraat 1: voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achterhuis, vlaamse schuur en karschop

Inleiding. Voormalige LANGGEVELBOERDERIJ met aangebouwd achterhuis, Vlaamse schuur en karschop. De boerderij is waarschijnlijk na een brand in 1842 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1915 heeft een verbouwing plaatsgevonden. Thans zijn er twee woningen in ondergebracht; architectonisch vormen deze woningen één geheel. De voormalige boerderij met bijgebouwen is gesitueerd aan het kerkplein van het kerkdorp Enschot, waarvan de aangrenzende bebouwing voor een groot deel haar laat-negentiende-eeuwse dorpse aanblik heeft behouden. Omschrijving. De boerderij telt een bouwlaag, is opgetrokken uit baksteen en heeft een zadeldak, dat is gedekt met gesmoorde oud-Hollandse pannen. Na de brand van 1842 is het wolfseind vervallen en heeft men de rechter zijgevel voorzien van een topgevel. Het dakvlak is afgewerkt met een houten bakgoot. Deze is weer voorzien van geprofileerde klossen waaronder een geprofileerd fries met vlakindelingen, uitgevoerd in geschilderd stucwerk. De voorgevel is voorzien van een kozijn met bovenlicht met glas-in-lood ramen. De voordeur is voorzien van een verticale paneeldeur in een moderne vorm. Aan beide zijden van de voordeur is een schuifraam met bovenlicht met glas-in-lood en vereenvoudigd onderraam. Boven het uiterst rechtse raamkozijn is een dakkapel aangebracht, welke in metselwerk is opgetrokken. Alle raamkozijnen zijn voorzien van luiken. In de gevel heeft men een gemetselde strek van anderhalve steen hoog aangebracht. Ter hoogte van het bedrijfsgedeelte in het pand zijn de originele opgeklampte dubbele staldeuren aanwezig, voorzien van een ellipsboog. Links van deze staldeuren zijn drie en rechts is één betonnen stalraam aangebracht, met een zesruits indeling. De rechterzijgevel is voorzien van halfronde stalramen en een laadluik nabij de taszolder. De topgevel is uitgevoerd met vlechtwerk en afgedekt met een rollaag. De achtergevel heeft aan de noordelijke zijde een aangebouwd achterhuis. Deze in handgevormde bakstenen opgetrokken uitbreiding heeft een rechthoekige plattegrond en een zadeldak, gedekt met oud-Hollandse pannen. In deze gevel zijn op diverse plaatsen nieuwe raam- en deurkozijnen aangebracht. De aankapping aan de achtergevel is gesteld op hergebruikte gietijzeren kolommen van onbekende herkomst, waarschijnlijk daterende uit het laatste kwart van de negentiende eeuw. De linkerzijgevel is een topgevel, waarin de voordeur van het pand 't Zwaantje 2 is geplaatst. Deze is gewijzigd omstreeks 1915. Deze gevel is uitgevoerd in baksteen in kruisverband en voorzien van vlechtwerk en aan de bovenzijde afgewerkt met een muizetand. Het voordeurkozijn is in het hart van de gevel geplaatst en voorzien van bovenlicht met glas-in-lood ramen. De deur is uitgevoerd als een opgeklampte deur. Aan beide zijden van de voordeur zijn schuiframen aangebracht voorzien van een bovenlicht met glas-in-lood ramen. De raamkozijnen zijn voorzien van vlakke luiken. Op de verdieping zijn twee raamkozijnen geplaatst welke zijn voorzien van een drieruits bovenlicht. De onderramen zijn uitgevoerd als naar binnen draaiende vierruits ramen. Op de zolder is nog één raamkozijn aangebracht met een drieruits bovenlicht en naar binnen draaiende vierruits ramen. Naar informatie van de eigenaar zijn in het interieur de oorspronkelijke kelder en opkamer nog aanwezig. Waardering. De voormalige langgevelboerderij is van algemeen belang. Het gebouw heeft cultuurhistorische waarde als afspiegeling van de sociaal-economische ontwikkeling van de landbouw in midden-Brabant, het is tevens van belang voor de typologische ontwikkeling van de langgevelboerderij. Het heeft architectuurhistorische waarden vanwege de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis. Het heeft ensemblewaarden als onderdeel van de kern van het kerkdorp Enschot, die cultuurhistorisch van belang is. Het geheel is gaaf bewaard gebleven. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Rijksmonument nummer: 521125
Laatste wijziging: 2014-12-09 19:54:29.0

Recensies en ervaringen

Toevoegen

Wikipedia artikel

Dit artikel is volledig afkomstig van Wikipedia en valt onder de CC BY-SA licentie
Reconstructie van de plattegrond van de Plashoeve te Lieshout, gebaseerd op opmetingen in 1970. De boerderij is 10 meter breed, de schuur is 12 meter lang, de stal 13 meter en het voorhuis 10.

Een langgevelboerderij is een rechthoekig boerderijtype waarbij voorhuis, stal en schuur aan elkaar zijn gebouwd en alle deuren geplaatst zijn in de lange gevels. De langgevelboerderij behoort tot de hallenhuisgroep en komt algemeen voor in de Belgische en Nederlandse Kempen, het noorden van Nederlands Limburg en de Belgische streken Vochtig Haspengouw en Hageland. In Oost- en West-Vlaanderen vindt men verder geëvolueerde vormen van dit boerderijtype.

Bouwhistorie

Tot na de middeleeuwen was het in heel Brabant het hallenhuis in zwang. Daarna zijn er regionale varianten op dit type ontstaan. Terwijl in West-Brabant de Vlaamse schuur ingang vond, kwam na 1600 in de Kempen een proces op gang waarin het hallenhuis en de dwarsdeelschuur werden samengevoegd tot één gebouw.[1] De staldeur in de korte achtergevel werd verplaatst naar de lange gevel. De buitendeuren in het schuurgedeelte kwamen eveneens in de lange gevels. De schuurdeur was hierbij hoger dan de staldeur, omdat er wagens doorheen moesten kunnen rijden. Een vroege variant van de langgevelboerderij was de hoekgevelboerderij. Tussen 1600 en 1900 verdrong de langgevelboerderij langzaam maar zeker het hallenhuis in heel de Kempen en naburige gebieden. Langgevelboerderijen werden gebouwd tot in het midden van de 20e eeuw. Bij de opkomst van retro-bouwstijlen aan het eind van de 20e eeuw werden plaatselijk in Brabant woningen gebouwd in de stijl van langgevelboerderijen.

Voorhuis

Reconstructie van het voorhuis van de Plashoeve 1750.
Een schouw met open vuur waarboven een kookketel, hangend aan een draaier. Foto Henri Berssenbrugge, ca. 1904.
Een vuurijzer, ook wel brandrooster genoemd, uit 1750.

Bij de overgang van het hallenhuis naar de langgevelboerderij onderging het voorhuis een aantal veranderingen. Was het hallenhuis in die tijd nog voornamelijk met hout gebouwd, de buitenmuren van het voorhuis van de langgevelboerderij werden geheel uit baksteen opgetrokken. Deze muren namen de dragende functie van het ankerbalkgebint over, waardoor in het voorhuis minder en later zelfs geen staanders nodig waren. De scheiding tussen voorhuis en stal werd ook met bakstenen gemetseld waardoor deze als brandmuur fungeerde. De binnenmuren waren vaak fitselstekwanden, soms werden ze gemetseld met zongedroogde stenen. De constructie van de buitenmuren was in die tijd nog niet sterk genoeg om een breed dak te kunnen dragen. Daarom werd de boerderij smaller, waardoor de driebeukige indeling van het hallenhuis kwam te vervallen. Omdat men op die manier de zijkamers kwijt raakte, zocht men vervangende ruimte. Die werd verkregen door de boerderij langer te maken.

Het voorhuis van de langgevelboerderij bestond uit vier woonvertrekken. Het belangrijkste vertrek was de woonkeuken, herd genaamd.[2] In de herd was de schouw de centrale plaats. Deze had de vorm van een alkoof en was samen met de schoorsteen gemetseld tegen de brandmuur. Midden in de schouw brandde op een vuureijssere het open vuur van turf, hout en heiplaggen. De herd werd er nauwelijks door verwarmd, het was er hooguit vier tot zes graden warmer dan buiten.[3] Het open vuur werd voornamelijk gebruikt om te koken, zowel voor mensen als voor dieren. De kookketels werden boven het vuur gehangen aan een haal. Vaak was in de hoek van de schouw een draaier geplaatst, een draaibare houten kraan. Aan het eind van de draaier kon een schroefhaal worden bevestigd die sterk genoeg was om een grote koekeetel te kunnen dragen, waarin het sop werd gekookt, het veevoer.[4] De schouw werd ook gebruikt om worsten, hammen en spek te roken. Tussen de herd en de korte gevel waren nog twee vertrekken gelegen. Een daarvan was de 'goei kamer'.

Aansluitend aan de herd, oorspronkelijk zonder scheidingswand, lag het vierde vertrek, de geut. Dat was een spoelkeuken met daarin de gootbank, een houten aanrechtblad boven het gootgat waar het spoelwater door naar buiten stroomde. In de geut had men toegang tot twee boven elkaar gelegen ruimtes die via trapjes te bereiken waren. De onderste was de kelder. Deze was zo diep uitgegraven dat het daarin bij de gemiddeld hoogste grondwaterstand droog bleef.[5] Omdat de kelder daardoor half boven het maaiveld uitstak was daarboven ruimte voor de opkamer. Vaak was het trapje naar de opkamer opklapbaar en fungeerde het als schuine kelderdeur. Boven de woonvertrekken lag de zolder. Deze werd gebruikt voor de opslag van graan. De zoldertrap gaf soms ook toegang tot de opkamer.

Toen de welvaart toenam en er hogere eisen werden gesteld aan wooncomfort werden herd en geut door een binnenmuur gescheiden. De rechtstreekse toegang vanuit de voordeur naar het voorhuis werd vervangen door een gang die vanuit de voordeur toegang gaf tot de herd, de geut en de andere kamers.

De vloeren van het voorhuis waren eeuwenlang verhard met leem. Een uitzondering vormde de vloer bij de gootbank, die werd met stenen bedekt om uitslijpen door spoelwater tegen te gaan. Later ging men gaandeweg ook in de andere kamers stenen vloeren leggen. Pas in de 19e eeuw werden vloeren gelegd van rode en blauwe plavuizen. Toen deed ook de plattebuiskachel zijn intrede en werd de schouw veelal dichtgetimmerd om tocht tegen te gaan.[6]

Stal

1rightarrow blue.svg Zie potstal voor een separaat artikel over dit onderwerp.

De stal van de langgevelboerderij herbergde een potstal voor de koeien, een varkensstal, een paardenstal en een hennenhoort voor de kippen. Ook het gemak, bestaande uit een ton met houten deksel, had een plaats in de stal. Boven het vee bevond zich de hooizolder. De stal had een lemen vloer en de buitenmuren waren van fitselstek. Vanaf het eind van de 19e eeuw werden de buitenmuren vervangen door muren van baksteen. [7]

Schuur

De schuur van de langgevelboerderij bestond uit twee delen. Aan de kant van de stal lag de schuurherd, een lemen dorsvloer. Daarachter bevond zich de tas, waar de graanoogst werd opgeslagen. In de wintermaanden werd het graan met de hand gedorst met behulp van dorsvlegels. Dat gebeurde per bed wat wil zeggen dat er een 50-tal schoven uitgespreid werd over de hele lengte van de schuurherd. Het uitdorsen van een bed met twee man duurde ruwweg een uur. Een bed leverde ongeveer drie vaten graan op. De vloer en de buitenmuren van de schuur waren identiek aan die van de stal.

Dak

Aanvankelijk werden de houten spanten van het dak geheel gedekt met stro, en werd de nok gevormd door heideplaggen.[8] Het strooien dak was aan de onderkant kwetsbaar voor brand. Bovendien bleef het onderste stro bij regen lang nat, waardoor het kwetsbaar werd. Vanaf het eind van de 19e eeuw werd het onderste deel van het dak zowel aan de voorkant als aan de achterzijde met rode en blauwe pannen gedekt, tien rijen hoog. De heideplaggen op de nok werden daarbij vervangen door vorstpannen. Het hele dak met pannen dekken hoefde niet, er zou dan trouwens door het grote gewicht van de pannen een veel zwaardere dakconstructie nodig zijn.

Bijgebouwen

Ook al waren alle belangrijke functies in één gebouw ondergebracht, er waren nog steeds bijgebouwen nodig. De hoogkar, de aardkarren, paardenspullen zoals halsters, hamen en zadels evenals grote werktuigen als ploegen en eggen werden opgeslagen in de karreschop, een vrijstaande schuur. Om veiligheidsredenen werd brood in de 18e en de 19e eeuw veelal gebakken in een vrijstaand bakhuis. Toen in de 19e eeuw het kippengaas was uitgevonden werden vaak kippenhokken als afzonderlijke constructies neergezet, met daaraan vast het heuske, het gemak.

Mythe van de Frankische boerderij

Vroeger werd de langgevelboerderij ook wel aangeduid als een Frankische boerderij, omdat men dacht dat het ontstaan van deze boerderij te maken zou hebben met de volksstam der Franken. Omdat er echter zo'n duizend jaar tussen het tijdperk der Franken en het ontstaan van de langgevelboerderij zit, moet dit naar het rijk der fabelen worden verwezen. Hetzelfde geldt voor de benaming Saksische boerderij, een naam die in het oosten en noorden van Nederland nog zeer gebruikelijk is voor een ander boerderijtype. Het veronderstelde verband tussen Germaanse volksstammen en boerderijtypen werd ontzenuwd door onder meer Klaas Uilkema.[9]

Externe links


Monumenten in de buurt van Complex Kerkstraat 1: voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achterhuis, vlaamse schuur en karschop in Berkel Enschot

Complex Kerkstraat 1: Vlaamse schuur

Kerkstraat 1
Berkel Enschot (Gemeente Tilburg)
Inleiding. VLAAMSE SCHUUR uit de tweede helft van de negentiende eeuw, behorende bij een voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achte..

Complex Kerkstraat 1: karschop

Kerkstraat 1
Berkel Enschot (Gemeente Tilburg)
Inleiding. KARSCHOP, behorende bij een voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achterhuis en Vlaamse schuur. De boerderij is waarschij..

Riddershoeve

't Zwaantje 1
Berkel Enschot (Gemeente Tilburg)
Inleiding Aan de noordelijke zijde van de pleinachtige verbreding in de Kerkstraat staat, tegenover de H. Ceciliakerk, het CAFE, voorheen g..

Pastorie van de St. Caeciliaparochie

Kerkstraat 2
Berkel Enschot (Gemeente Tilburg)
Inleiding Aan de zuidwestelijke zijde van de pleinachtige verbreding van de Kerkstraat staat de voormalige PASTORIE van de St. Caeciliaparo..

R.K. kerkgebouw gewijd aan de H. Caecilia

Kerkstraat 2
Berkel Enschot (Gemeente Tilburg)
Inleiding Aan de zuidelijke zijde van de pleinachtige verbreding van de Kerkstraat staat het R.K. KERKGEBOUW, gewijd aan de H. Caecilia. De..

Kaart & Routeplanner

Route naar Complex Kerkstraat 1: voormalige langgevelboerderij met aangebouwd achterhuis, vlaamse schuur en karschop in Berkel Enschot