Meer dan 63.000 rijksmonumenten


Gave langgevelboerderij in Tilburg

Boerderij

Oude Hilvarenbeekseweg 38
5022EN Tilburg
Noord Brabant

Bouwjaar: 1912


Beschrijving van Gave langgevelboerderij

Inleiding De gave LANGGEVELBOERDERIJ werd gebouwd in 1912 naar een ontwerp van de Tilburgse architect J. Donders. Het linkerdeel van het pand omvat het woonhuis met in de erachter gelegen uitbouw een (nu verdwenen) inpandige oven en bakkerij. In het rechterdeel van het pand werd een koestal ingericht. In 1943 werden enkele wijzigingen aan de mestafvoer in de stalvloer uitgevoerd. Omschrijving Eenlaagse bakstenen langgevelboerderij onder zadeldak. Het dak van de boerderij is, uitgezonderd een deel van het dakschild van de stal dat aan de voorzijde is gedekt met romaanse pannen, geheel gedekt met zwarte kruispannen. Op het dakschild aan de voorzijde van het woonhuis twee vierpans dakramen, op de stal een (vernieuwd) negenpans dakraam. Het woonhuis heeft in de voorgevel een symmetrische gevelindeling bestaande uit vier vensterassen. In drie assen een getoogd, gedeeld openslaand venster met achtruits bovenlicht, het geheel onder getoogde strek met aanzetten uit witte strengpersstenen en hardstenen dorpel. De paneelluiken naast de vensters zijn vernieuwd. In de derde as een ondiep getoogd portiek onder segmentboog waarin een vernieuwde paneeldeur met achtruits bovenlicht en hardstenen dorpel. De strengpers aanzetten van vensters en deur zijn door middel van strengpersbanden verbonden tot een cordonlijst. Het woonhuis heeft een geprofileerde hardstenen plint. Aan de bovenzijde van de voorgevel bevindt zich een bakgoot op geprofileerde klossen. Onder de goot van het woonhuis een sobere bakstenen lijst en een met strengpersstenen afgewisselde bakstenen sierrand. Rechts van de deur een gevelsteen met opschrift 'Ant. Paulusse / 23-2-1912'. In de linkerzijgevel op de begane grond een grote koekoek met twee rechthoekige gedeelde en openslaande tweeruits keldervensters onder rechte strek. Hierboven het tot de opkamer behorende, in oude stijl vernieuwde gedeelde openslaande venster met achtruits bovenlicht onder getoogde strek. Op de verdieping twee openslaande vierruits vensters met hardstenen dorpel onder rechte strek. Het dak heeft aan deze zijde, evenals boven de andere zijgevel, een overstek op klossen, afgezet met geprofileerde windveren. Op de top een uitkragende geprofileerde schoorsteen met decoratief metselwerk. Op de scheiding van woonhuis en stal en op de andere geveltop eveneens een dergelijke schoorsteen. De aangrenzende stal bezit in de symmetrisch ingedeelde voorgevel drie vensterassen met in de oude vorm vernieuwde getoogde zesruits vensters onder getoogde strek met hardstenen dorpels. Dergelijke vensters komen eveneens in de andere muurdelen van de stal voor. Onder de dakvoet een tand- en muizentandlijst. Aan de bovenzijde wordt de gevel afgesloten door middel van een eenvoudige bakgoot. In de rechterzijgevel op de begane grond twee getoogde vensters zoals in de voorgevel. Hierboven een opgeklampt hooiluik met houten dorpel temidden van twee zesruits schuifvensters met hardstenen dorpel, alle onder rechte strek. In de achtergevel van het stalgedeelte een opgeklampte gedeelde deur onder korfboog met aan weerszijden twee vensters als voor, zij het hier met bakstenen dorpels. Rechts hiervan een opgeklampte deur onder strek. In de achtergevel van het woongedeelte een klein openslaand venster met bakstenen dorpel onder strek, een later ingezet drieruits venster met dito bovenlicht waarboven een later geplaatste dakkapel onder plat dak met twee vierruits openslaande vensters. De linkerzijde van de achtergevel wordt ingenomen door een uitbouw onder zadeldak met lichte overstek op geprofileerde klossen, gedekt met kruispannen. Uitbouw en woonhuis zijn toegankelijk via een klein uitgebouwd portaal met een aan het dakschild van de uitbouw aansluitend lessenaarsdak. In het portaal een openslaand venster met bakstenen dorpel en een overigens vernieuwde deels beglaasde deur. In de zijgevel van de uitbouw respectievelijk een gedeeld en een klein openslaand venster. In de achtergevel een klein openslaand venster. De uitbouw is voorzien van een lage schoorsteen. In het interieur is de indeling nagenoeg ongewijzigd. Op de begane grond achter de voordeur een centrale gang met aan weerszijden een kamer. In de voorkamer, links van de gang, een eenvoudige zwartmarmeren schouw. De kamer rechts, met bedstee, is middels een later ingebrachte boog verbonden met de erachter liggende woonkeuken welke tegenwoordig van de centrale gang is gescheiden door een later geplaatste muur. In de woonkeuken bevindt zich tevens nog de ombouw van de voormalige schouw, volgens de eigenaar in de jaren '30 met hout gedicht, en enkele kasten. Een deur leidt van hieruit naar de stal. Links in het woonhuis twee kelders met vlakke gestucte zoldering gedragen door stalen H-balken en een vloer met rode plavuizen. Boven de kelders een opkamer met nog aanwezig een dubbele bedstee. Voor zover kon worden nagegaan zijn alle deuren en kasten nog voorzien van de oorspronkelijke paneeldeuren. In de achter het woonhuis gelegen uitbouw is de voormalige oven verbouwd tot toilet. In de stal een deels, in verband met de mestafvoer verlaagde betonnen vloer. Hier is zichtbaar dat de bovenverdieping wordt gedragen door stalen H-balken waarvan de zijden zijn opgevuld met hout. Op de bovenverdieping, boven het woonhuis twee oorspronkelijke deels met kraaldelen betimmerde kleine kamers met eenvoudige paneeldeuren. De overige kamers op de bovenverdieping zijn later (vanaf ca. 1947) tot stand gekomen. In de schoorsteen op de verdieping een metalen 'spekklep' voor het roken van eetwaren. Waardering Het object is van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische waarde als een destijds met moderne materialen uitgevoerde langgevelboerderij. Het object is tevens van belang vanwege de ensemblewaarden als essentieel onderdeel van een groter geheel dat cultuur- en architectuurhistorisch van nationaal belang is door de aanwezigheid van enkele belangrijke en gave bijgebouwen. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Rijksmonument nummer: 521095
Laatste wijziging: 2014-10-12 20:04:29.0

Recensies en ervaringen

Toevoegen

Wikipedia artikel

Dit artikel is volledig afkomstig van Wikipedia en valt onder de CC BY-SA licentie
Reconstructie van de plattegrond van de Plashoeve te Lieshout, gebaseerd op opmetingen in 1970. De boerderij is 10 meter breed, de schuur is 12 meter lang, de stal 13 meter en het voorhuis 10.

Een langgevelboerderij is een rechthoekig boerderijtype waarbij voorhuis, stal en schuur aan elkaar zijn gebouwd en alle deuren geplaatst zijn in de lange gevels. De langgevelboerderij behoort tot de hallenhuisgroep en komt algemeen voor in de Belgische en Nederlandse Kempen, het noorden van Nederlands Limburg en de Belgische streken Vochtig Haspengouw en Hageland. In Oost- en West-Vlaanderen vindt men verder geëvolueerde vormen van dit boerderijtype.

Bouwhistorie

Tot na de middeleeuwen was het in heel Brabant het hallenhuis in zwang. Daarna zijn er regionale varianten op dit type ontstaan. Terwijl in West-Brabant de Vlaamse schuur ingang vond, kwam na 1600 in de Kempen een proces op gang waarin het hallenhuis en de dwarsdeelschuur werden samengevoegd tot één gebouw.[1] De staldeur in de korte achtergevel werd verplaatst naar de lange gevel. De buitendeuren in het schuurgedeelte kwamen eveneens in de lange gevels. De schuurdeur was hierbij hoger dan de staldeur, omdat er wagens doorheen moesten kunnen rijden. Een vroege variant van de langgevelboerderij was de hoekgevelboerderij. Tussen 1600 en 1900 verdrong de langgevelboerderij langzaam maar zeker het hallenhuis in heel de Kempen en naburige gebieden. Langgevelboerderijen werden gebouwd tot in het midden van de 20e eeuw. Bij de opkomst van retro-bouwstijlen aan het eind van de 20e eeuw werden plaatselijk in Brabant woningen gebouwd in de stijl van langgevelboerderijen.

Voorhuis

Reconstructie van het voorhuis van de Plashoeve 1750.
Een schouw met open vuur waarboven een kookketel, hangend aan een draaier. Foto Henri Berssenbrugge, ca. 1904.
Een vuurijzer, ook wel brandrooster genoemd, uit 1750.

Bij de overgang van het hallenhuis naar de langgevelboerderij onderging het voorhuis een aantal veranderingen. Was het hallenhuis in die tijd nog voornamelijk met hout gebouwd, de buitenmuren van het voorhuis van de langgevelboerderij werden geheel uit baksteen opgetrokken. Deze muren namen de dragende functie van het ankerbalkgebint over, waardoor in het voorhuis minder en later zelfs geen staanders nodig waren. De scheiding tussen voorhuis en stal werd ook met bakstenen gemetseld waardoor deze als brandmuur fungeerde. De binnenmuren waren vaak fitselstekwanden, soms werden ze gemetseld met zongedroogde stenen. De constructie van de buitenmuren was in die tijd nog niet sterk genoeg om een breed dak te kunnen dragen. Daarom werd de boerderij smaller, waardoor de driebeukige indeling van het hallenhuis kwam te vervallen. Omdat men op die manier de zijkamers kwijt raakte, zocht men vervangende ruimte. Die werd verkregen door de boerderij langer te maken.

Het voorhuis van de langgevelboerderij bestond uit vier woonvertrekken. Het belangrijkste vertrek was de woonkeuken, herd genaamd.[2] In de herd was de schouw de centrale plaats. Deze had de vorm van een alkoof en was samen met de schoorsteen gemetseld tegen de brandmuur. Midden in de schouw brandde op een vuureijssere het open vuur van turf, hout en heiplaggen. De herd werd er nauwelijks door verwarmd, het was er hooguit vier tot zes graden warmer dan buiten.[3] Het open vuur werd voornamelijk gebruikt om te koken, zowel voor mensen als voor dieren. De kookketels werden boven het vuur gehangen aan een haal. Vaak was in de hoek van de schouw een draaier geplaatst, een draaibare houten kraan. Aan het eind van de draaier kon een schroefhaal worden bevestigd die sterk genoeg was om een grote koekeetel te kunnen dragen, waarin het sop werd gekookt, het veevoer.[4] De schouw werd ook gebruikt om worsten, hammen en spek te roken. Tussen de herd en de korte gevel waren nog twee vertrekken gelegen. Een daarvan was de 'goei kamer'.

Aansluitend aan de herd, oorspronkelijk zonder scheidingswand, lag het vierde vertrek, de geut. Dat was een spoelkeuken met daarin de gootbank, een houten aanrechtblad boven het gootgat waar het spoelwater door naar buiten stroomde. In de geut had men toegang tot twee boven elkaar gelegen ruimtes die via trapjes te bereiken waren. De onderste was de kelder. Deze was zo diep uitgegraven dat het daarin bij de gemiddeld hoogste grondwaterstand droog bleef.[5] Omdat de kelder daardoor half boven het maaiveld uitstak was daarboven ruimte voor de opkamer. Vaak was het trapje naar de opkamer opklapbaar en fungeerde het als schuine kelderdeur. Boven de woonvertrekken lag de zolder. Deze werd gebruikt voor de opslag van graan. De zoldertrap gaf soms ook toegang tot de opkamer.

Toen de welvaart toenam en er hogere eisen werden gesteld aan wooncomfort werden herd en geut door een binnenmuur gescheiden. De rechtstreekse toegang vanuit de voordeur naar het voorhuis werd vervangen door een gang die vanuit de voordeur toegang gaf tot de herd, de geut en de andere kamers.

De vloeren van het voorhuis waren eeuwenlang verhard met leem. Een uitzondering vormde de vloer bij de gootbank, die werd met stenen bedekt om uitslijpen door spoelwater tegen te gaan. Later ging men gaandeweg ook in de andere kamers stenen vloeren leggen. Pas in de 19e eeuw werden vloeren gelegd van rode en blauwe plavuizen. Toen deed ook de plattebuiskachel zijn intrede en werd de schouw veelal dichtgetimmerd om tocht tegen te gaan.[6]

Stal

1rightarrow blue.svg Zie potstal voor een separaat artikel over dit onderwerp.

De stal van de langgevelboerderij herbergde een potstal voor de koeien, een varkensstal, een paardenstal en een hennenhoort voor de kippen. Ook het gemak, bestaande uit een ton met houten deksel, had een plaats in de stal. Boven het vee bevond zich de hooizolder. De stal had een lemen vloer en de buitenmuren waren van fitselstek. Vanaf het eind van de 19e eeuw werden de buitenmuren vervangen door muren van baksteen. [7]

Schuur

De schuur van de langgevelboerderij bestond uit twee delen. Aan de kant van de stal lag de schuurherd, een lemen dorsvloer. Daarachter bevond zich de tas, waar de graanoogst werd opgeslagen. In de wintermaanden werd het graan met de hand gedorst met behulp van dorsvlegels. Dat gebeurde per bed wat wil zeggen dat er een 50-tal schoven uitgespreid werd over de hele lengte van de schuurherd. Het uitdorsen van een bed met twee man duurde ruwweg een uur. Een bed leverde ongeveer drie vaten graan op. De vloer en de buitenmuren van de schuur waren identiek aan die van de stal.

Dak

Aanvankelijk werden de houten spanten van het dak geheel gedekt met stro, en werd de nok gevormd door heideplaggen.[8] Het strooien dak was aan de onderkant kwetsbaar voor brand. Bovendien bleef het onderste stro bij regen lang nat, waardoor het kwetsbaar werd. Vanaf het eind van de 19e eeuw werd het onderste deel van het dak zowel aan de voorkant als aan de achterzijde met rode en blauwe pannen gedekt, tien rijen hoog. De heideplaggen op de nok werden daarbij vervangen door vorstpannen. Het hele dak met pannen dekken hoefde niet, er zou dan trouwens door het grote gewicht van de pannen een veel zwaardere dakconstructie nodig zijn.

Bijgebouwen

Ook al waren alle belangrijke functies in één gebouw ondergebracht, er waren nog steeds bijgebouwen nodig. De hoogkar, de aardkarren, paardenspullen zoals halsters, hamen en zadels evenals grote werktuigen als ploegen en eggen werden opgeslagen in de karreschop, een vrijstaande schuur. Om veiligheidsredenen werd brood in de 18e en de 19e eeuw veelal gebakken in een vrijstaand bakhuis. Toen in de 19e eeuw het kippengaas was uitgevonden werden vaak kippenhokken als afzonderlijke constructies neergezet, met daaraan vast het heuske, het gemak.

Mythe van de Frankische boerderij

Vroeger werd de langgevelboerderij ook wel aangeduid als een Frankische boerderij, omdat men dacht dat het ontstaan van deze boerderij te maken zou hebben met de volksstam der Franken. Omdat er echter zo'n duizend jaar tussen het tijdperk der Franken en het ontstaan van de langgevelboerderij zit, moet dit naar het rijk der fabelen worden verwezen. Hetzelfde geldt voor de benaming Saksische boerderij, een naam die in het oosten en noorden van Nederland nog zeer gebruikelijk is voor een ander boerderijtype. Het veronderstelde verband tussen Germaanse volksstammen en boerderijtypen werd ontzenuwd door onder meer Klaas Uilkema.[9]

Externe links


Monumenten in de buurt van Gave langgevelboerderij in Tilburg

Rechts van de boerderij staat haaks een varkensstal annex schuur

Oude Hilvarenbeekseweg 38
Tilburg
Inleiding Rechts van de boerderij staat haaks een VARKENSSTAL annex schuur welke werd gebouwd in 1912. Het ontwerp was van de Tilburgse arc..

Complex Oude Hilvarenbeekseweg

Oude Hilvarenbeekseweg 38
Tilburg
Inleiding Rechts van de eerder beschreven varkensstal staat een uit de tweede helft van de negentiende eeuw daterende KARNMOLEN. De karnmol..

Voormalig pakhuis

Broekhovenseweg 130
Tilburg
Inleiding Voormalig PAKHUIS voor wol uit 1919. Het pakhuis was onderdeel van de "Ververij & Twernerij Broekhoven". Het is gebouwd voor de f..

Bejaardenhuis Sint Jozefzorg

Ringbaan-Zuid 931 t/m
Tilburg
Inleiding Het BEJAARDENHUIS met KAPEL en GROENHOVEN Sint Jozefzorg is in de jaren 1949-1951 gebouwd naar ontwerp van Jos. Bedaux, in tradit..

O.L.V. van Goede Raad (Broekhovense kerk)

Broekhovenseweg 2
Tilburg
Inleiding R.K. KERK van O.L.Vr. Moeder van Goede Raad uit 1913 in Neo-Byzantijnse stijl. Ontwerp van architect Jan van der Valk (*1873 Delf..

Kaart & Routeplanner

Route naar Gave langgevelboerderij in Tilburg

Foto's (1)