Meer dan 63.000 rijksmonumenten


Grote Kerk in Veere

Kerkelijk Gebouw

Oudestraat 26
4351AV Veere
Zeeland

Bouwjaar: 1479 en later


Beschrijving van Grote Kerk

O.L. VROUWEKERK. Met de bouw van de hoofdkerk werd in 1479 een aanvang gemaakt door Antonis Keldermans op de plaats van de kerk, die in 1348 tot stand was gekomen en in 1472 tot collegiale was verheven. De bouw werd voortgezet door zijn zoon Rombout volgens contract van 1512. In 1521 kwam de toren op zijn huidige hoogte en in 1543 werd de omgang van het koor overwelfd. De kerk werd in 1597 aan B. de Moucheron verhuurd, brandde in 1686 gedeeltelijk uit, leed in 1809 van het bombardement der Engelsen, die haar vervolgens tot kazerne inrichtte, werd door de Fransen in 1811-1813 tot militair hospitaal ingericht, fungeerde verder als provinciaal bedelaarsgesticht en wordt thans geleidelijk in een betere staat gebracht. Vermoedelijk werd het koor met zijn omgang kort na het voltooien weer afgebroken en werd tegen het dwarspand een lage driebeukige hallenkerk gebouwd, waarvan slechts de midden- en zuiderbeuk behouden zijn. De indrukwekkende. zwaar geschonden kruisbasiliek, welks grondplan twee reeksen vertoont van rechthoekige kapellen, die geopend zijn op de zijbeuktraveeën, is uitwendig geheel met natuursteen bekleed, doch heeft veel van zijn stijlkenmerken verloren door het dichten van de vensters, het teloorgaan der gewelven en het wijzigen van de bedaking. De hoge transeptvensters zijn langs de boogtrommel omgeven door een geprofileerde booglijst, rustende op draagstenen en bekroond door een kruisbloem. De toren is slechts gedeeltelijk opgetrokken, twee geledingen vormend, en heeft een ingangspartij welke geflankeerd wordt door twee massale traptorens. Aan de zijkanten doorbreekt slechts een enkele diepe nis tussen de rijk gedetailleerde steunberen het muurwerk. Het inwendige is uitgevoerd in de rijpe brabantse trant. De ronde zuilen op achtkant basement vrij los behandelde koolblad- kapitelen en het triforium, nog aanwezig in het dwarspand, bestaat uit een balustrade, gevat in de doorgetrokken raamnissen. Zijbeuken en kapellen waren met kruisribgewelven overdekt, terwijl in schip en dwarspand stergewelven ontworpen waren. De benedenruimte van de toren rust op massale pijlers van een merkwaardige golvende omtreklijn. De lage hallenkerk met driezijdige koorsluitingen, gerestaureerd in 1950, is vermoedelijk in de 2e helft van de 16e eeuw gebouwd met afbraakmateriaal van het koor; ook hier zuilen met koolbladkapitelen. De noordelijke beuk, welke (1614-1799) als Schotsekerk dienst deed, is afgebroken. Aan de noordzijde tegen het dwarspand een lage aanbouw van twee traveeen, overdekt met stergewelven op zeer gedrukte bogen, meest 17e eeuws meubilair; preekstoel, doophek, herenbank en twee lezenaars. Grafmonument met obelisk van Jan van Miggrode (in het begin der 17e eeuw gestorven) uit 1771, vervaardigd door de Zwitser Henrich Schweiter. Kroon uit plm 1600. Orgel met Hoofdwerk en Bovenwerk, in 1855 gebouwd door H.D. Lindsen voor de R.K. Kerk te Sassenheim. Na een verblijf in Middelburg, werd het orgel in 1928 in Veere geplaatst. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Rijksmonument nummer: 36967
Laatste wijziging: 2014-10-12 20:04:29.0

Recensies en ervaringen

Toevoegen

Wikipedia artikel

Dit artikel is volledig afkomstig van Wikipedia en valt onder de CC BY-SA licentie
Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk
De kerk vanuit het noorden
De kerk vanuit het noorden
Plaats Veere
Gebouwd in 1450-1521
Gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Sneeuw
Monumentale status Rijksmonument
Monumentnummer  36967
Architectuur
Bouwmethode Kruisbasiliek
Stijlperiode Laatgotiek
Aanzicht vanuit het zuidwesten
Aanzicht vanuit het zuidwesten
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Westgevel Grote Kerk Veere
Plattegrond 2008
Jan van der Heyden; De kerk van Veere in een fantasiedecor. De kerk is gedetailleerd weergegeven in de staat van vóór de brand van 1686.

De Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk is een laatgotische kruisbasiliek in de Zeeuwse stad Veere.

Geschiedenis

De bouw van de kerk

De in 1342 gestichte kerk was gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Sneeuw en werd in 1472 onder Wolfert V van Borselen een kapittelkerk, bestaande uit twintig kanunniken. Naast deze koorheren waren er vijf kapelaans, een Cantor en drie koorzangers aan de parochie verbonden. De nieuwbouw werd vanaf 1479 geleid door de Vlaamse bouwmeester Antoon I Keldermans. Na diens dood in 1512 nam zijn zoon Rombout die taak over.

Na 1520 werden de Heer van Veere en zijn familieleden niet langer in de kapel van kasteel Sandenburgh maar in een grafkelder in de Grote Kerk begraven. De kerk moet tal van graven hebben bevat, waaronder ook dat van de in 1465 gestorven Schotse koningsdochter Maria Stuart, die gehuwd was met Wolfert VI van Borsele en daardoor markiezin van Veere. Priesters werden in een priestergraf in het koor begraven en voor wie genoeg geld bezat werd een graf of een grafkelder onder de vloer van de kerk gereserveerd. De graven waren een belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Voor anderen waren er graven op het kerkhof rond de kerk.

Na 1521 werden alle bouwactiviteiten gestaakt: zodoende kwam het geplande stenen netgewelf niet tot stand: de kerk hield een houten zoldering. De zware, ingebouwde westtoren bleef bij één geleding steken. De kerk werd luisterrijk ingericht en in 1543 door George van Egmont, Bisschop van Utrecht gewijd.

De kerk van de Nederduits Hervormde Gemeente in Veere

De kerk werd in 1572 voor de protestantse eredienst ingericht. Jan van Miggrode, de voormalige pastoor, werd in 1572 de eerste predikant. De hervormden lieten een muur tussen schip en transept bouwen. Zij hielden immers geen processies binnen de kerk en verzamelden zich rond een nieuwe preekstoel in de middenbeuk.

Omdat de reusachtige kerk voor het kleine Veere veel te groot was, werd het gebouw opgedeeld. Schip en transept werden in het vervolg de "Grote Kerk" genoemd. Het transept en de zijbeuken met de nu ontmantelde gildekapellen werden wandelkerk zonder religieuze functie. De begrafenissen onder de vloer zullen zijn doorgegaan en veel geld hebben opgebracht voor de kerkmeesters. De middenbeuk werd de zondagse preekkerk: daar stonden kerkbanken rond een preekstoel.

De "Kleine Kerk" in het koor werd in drie delen opgesplitst: de noordbeuk werd verhuurd als opslagplaats van de handelsgoederen in afwachting van een Schotse voorganger[1]. De protestantse Schotten kregen na 1613 een dominee en een eigen afgescheiden gebedsruimte. De Franstalige Waals-gereformeerden kerkten op zondag in de Kleine Kerk. Iedere middag in de week was daar een middagdienst van de Nederduits Hervormde Gemeente. De lutheranen kwamen bijeen in de derde beuk van de Kleine Kerk.

De kerkschatten zijn grotendeels verloren gegaan. Ten tijde van de reformatie bevatte de inventaris koperen wijwatervaten, koperen kandelaars, zilveren kandelaars (alleen op hoogtijdagen in gebruik), een twintiglichts ijzeren kroon, kroonluchters, gildekapellen, biechtstoelen, wijdingskruisen, een koperen koorhek, een aan Maria gewijd hoofdaltaar van marmer met beelden van knielende engelen, een kooraltaar met een relikwie van de H. Perpetuus van Milaan in een zilveren reliekschrijn in de vorm van zijn schedel en een geschilderd drieluik door Anthonis Janszoon van der Goude. Van al deze roomse versieringen is vrijwel niets bewaard gebleven. Het zilver en het liturgisch vaatwerk van de kerk werd in 1572 in Dordrecht verkocht. De kroonluchters werden aan de Sint-Catharinakerk in Brussel verkocht waar zij ook nu nog hangen. Het koorhek werd verwijderd. De roomse geestelijken moesten, voor zover zij niet protestants werden, vluchten naar de Zuidelijke Nederlanden.

Rond de Grote Kerk ontstonden drie kerkhoven. De Schotten begroeven hun lijken onder de vloer van hun kapel, die de bijnaam "Schotse Saal" kreeg of op het kerkhof dat daarom ook wel Schotse Kerkhof werd genoemd. Het kerkhof was ommuurd om te voorkomen dat de varkens die in die tijd nog los in de stad mochten rondlopen de graven zouden omwoelen.

Op 25 mei 1686 woedde een grote brand in het schip van de kerk. Onvoorzichtige loodgieters veroorzaakten brand en de gehele kap van de kerk werd verwoest. Ook de vieringtoren boven de kruising en de vierkante houten torenopbouw met de daaronder hangende klokken gingen verloren. De brandende balken storten neer op de kerkvloer. Grafstenen en monumenten gingen daarbij verloren. De daken werden daarop zo eenvoudig mogelijk hersteld. Men sloopte de spitse opbouw van het koor om een eenvoudiger en platte dakconstructie te kunnen timmeren.

In 1795 vervielen alle rechten van de Schotse kolonie in Veere. Hun kerk verdween en de noordelijke beuk werd in 1799 bij die van de lutheranen gevoegd.

De Grote Kerk in de Franse tijd

In 1800 ontstond veel schade aan de kerk door een zware storm. In 1809 werd de kerk gebombardeerd door de Britse vloot. De Britten wilden het strategisch belangrijke Walcheren veroveren maar zij slaagden er niet om het door Napoleon extra gefortificeerde Veere in handen te krijgen. Omdat de zee erg onrustig was mislukte het bombardement. De kogels die van de sterk schommelende schepen werden afgevuurd vielen ófwel in het water óf ze vlogen over het kleine Veere heen.

In 1809 richtten de Fransen in het leegstaande schip een hospitaal in van vier verdiepingen. Op de begane grond werden paarden gestald. Honderden krijgsgevangen gemaakte Britse soldaten hadden Zeeuwse koortsen, een vorm van malaria opgelopen. Er stierven zes tot acht Britse zieken per dag. Aan de Franse zijde werden 1427 sterfgevallen in negen maanden genoteerd. Daarbij verwijderden ze het triforium en metselden ze de ramen dicht. Op de toren werd op 14 oktober 1810 een optische telegraaf geïnstalleerd[2]. De Fransen ontdeden het kerkhof rond de Grote Kerk van grafstenen om er een wandeltuin van te maken. Zij plantten er bomen en legden paden aan. In een halfronde kring achter het koor werden achttien banken geplaatst[3]. In 1813 werden de talloze graven waarin vooraanstaande inwoners van Veere onder de vloer van de kerk waren begraven en de grafkelders onder de kerk door de Franse pioniers leeggehaald. Ook wanneer familieleden de wacht hielden bij de halfvergane kisten die op vervoer naar elders wachtten, kwam het voor de Fransen met de woorden "het waren geen goede katholieken" op de kisten insloegen en -schopten. Zij speelden met de schedels en knekels[4]. De restanten van grafstenen werden als vensterbank gebruikt.

In 1811 was Veere zozeer ontvolkt en was de gereformeerde gemeente zo klein geworden dat men de intussen zeer vervallen Grote Kerk niet meer wilde gebruiken. Men trok zich terug in de zuid- en middenbeuk van de Kleine Kerk in het koor. In dat jaar werd het laatste kerkmeubilair uit de inmiddels vervallen kerk gehaald. De kleine Nederduits Hervormde Gemeente verhuisde naar de naastgelegen Kleine Kerk.

Het avondmaalszilver van de Schotten bevindt zich nu in de anglicaanse kathedraal van Manchester. De preekstoel werd aan de protestantse kerk van Westkapelle verkocht. Het orgel ging naar de lutherse kerk in Groede. Het avondmaalszilver van de Franstalige gemeente werd na de opheffing van die gemeente in 1817 door de Nederduits Hervormde Gemeente gebruikt.

De Grote Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden

Waar ooit grote vensters zaten zijn deze later in kleinere verdeeld, toen de kerk als militair hospitaal dienstdeed en ze in verdiepingen verdeeld werd.

Na het vertrek van de Fransen nam de Nederlandse Staat de kerk, met uitzondering van het koor, over en herbouwde dat tot een bedelaarsgesticht, maar in 1839 weer tot hospitaal. Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp bezochten de kerk in 1823 en Van Lennep beschreef Veere als een stad in het "diepste verval". Over het bedelaarshuis merkt hij op dat de honderd gedetineerden een goede behandeling genieten. Er waren geen zieken behalve de schurftlijders[5]. De Grote Kerk was van 1823 tot 1827 het onderkomen van landlopers, weeskinderen en dronkenlappen die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Men liet de inwoners zadelmaken, weven en spinnen. Een dominee gaf godsdienstonderricht.

Na 1815 mocht er niet meer in kerken worden begraven. Daarmee vielen veel inkomsten voor de kerkmeesters weg en dat bemoeilijkte het onderhoud van de kerken.

De twee beuken waren voor de lutheranen te groot en te kostbaar in onderhoud en in 1835 werd de noordbeuk verkocht aan Jacob Sonius, metselaar in Middelburg. Deze zakenman kon de stenen goed gebruiken en hij liet het bijna driehonderd jaar oude bouwwerk in 1837 slopen.

In 1840 waren er dus nog twee van de drie beuken van het koor behouden. In de midden- en zuidbeuk preekten nu Nederduits Hervormde dominees. De grote middenbeuk met de vier daarin aangelegde verdiepingen bleef tot 1890 een opslagplaats voor hout, handelswaar en koetsen. De kerk, sinds 1795 eigendom van het Rijk, werd door het Ministerie van Oorlog beschouwd als een deel de militaire inrichtingen van de tot 1861 in stand gehouden vesting Veere. Toen in 1873 de Vestingwet van Weitzel werd goedgekeurd hield Veere definitief op een vesting te zijn. Het Rijk verkocht het enorme maar nutteloze bouwwerk aan de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente van Veere.

Deze verkoop bracht de Grote Kerk in acuut gevaar; de kerkvoogden wilden het gebouw afbreken en de stenen en het hout verkopen. Een actie van Charles de Coster en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zorgde ervoor dat de verkoop weer ongedaan werd gemaakt.

Dankzij bemoeienissen van Victor de Stuers kon het gebouw als monument behouden blijven en in 1890 verwijderde men de vier houten verdiepingen weer. Het gebouw werd in dat jaar een rijksmonument[6]. Het gebouw is nog steeds eigendom van de Staat en maakt tegenwoordig deel uit van de portefeuille van de Rijksgebouwendienst.

Dat het gebouw als een belangrijk monument werd beschouwd zorgde ervoor dat het gebouw behouden bleef maar een waardige bestemming kreeg het grootste deel van de kerk niet. Het schip van de kerk werd in de loop van de 19e en 20e eeuw gebruikt als stal, overdekt voetbalveld, opslag van een aannemer en een houthandel, feestzaal, militair hospitaal en na de watersnoodramp van 1953 als noodstal voor het geredde vee. Pas in de jaren 70 van de 20e eeuw kreeg de kerk een culturele bestemming. Men plaatste glazen tochthallen en moderne toiletgroepen in het kerkgebouw.

De Kleine Kerk in het koor is nog steeds in gebruik voor de eredienst door de Protestantse Kerk in Nederland.

De toren mag tegenwoordig tegen betaling beklommen worden.

Literatuur

  • Tiny Polderman in "Geschiedenis van de Grote Kerk Veere" 2007

Monumenten in de buurt van Grote Kerk in Veere

Fontein bij Grote Kerk

Fontein bij kerk
Veere
Fontein bij de kerk. Elegant achthoekig schuurstenen gebouwtje, dienend als overdekking van de ronde stenen put (vergaarplaats van het gootw..

Huis met rechte gevel

Oudestraat 51
Veere
Huis met rechte gevel. Gootlijst op klosjes. Voordeuromlijsting met tandlijst en bovenlicht met kleine roedenverdeling. Stoepbank. Geprofile..

Courtouwe

Kapellestraat 25
Veere
Pand, genaamd De Courtouwe. Huis met lijstgevel. Nok evenwijdig aan straat. Eenvoudige voordeuromlijsting met bovenlicht. XVIII.

Gepleisterd woonhuis zonder verdieping onder met rode Hollandse pannen gedekt zadeldak

Oudestraat 55
Veere
Oude Straat 53: Gepleisterd WOONHUIS (XVIII-XIX) zonder verdieping onder met rode Hollandse pannen gedekt zadeldak (nok/straat), dat aan de ..

Huis met gepleisterde lijstgevel, aan de hoeken afgeschuind

Kapellestraat 23
Veere
Huis met gepleisterde lijstgevel, aan de hoeken afgeschuind. XVIII.

Kaart & Routeplanner

Route naar Grote Kerk in Veere

Foto's (14)

Alle 14 foto's weergeven